Vlaggen

Zoveel zwart-rood-goud was er nog nooit. In elk geval niet meer sinds de kortstondige opwelling van Duitse vaderlandsliefde ten tijde van de Duitse Eenwording, 16 jaar geleden.

Na de 4-2 overwinning op Costa Rica reed vrijdagavond al het eerste vlaggende corso over de Kurfürstendamm. Nu rijdt elke tiende auto in Berlijn, grove schatting, met een Duitse vlag. Sommige auto's rijden met twee vlaggetjes. Maar er zijn ook al auto's met vijf vlaggetjes en meer gesignaleerd.

Moeder komt met tienerzoons uit de supermarkt. Net het fan-pakket gekocht. Vlaggetjes, petje, sjaal, polsbandjes. Rood-zwart-goud. De jongens monteren de vlaggen meteen op de auto. Moeder: 'Oeh, eh, hemeltje, wij zijn helemaal niet opgevoed met zo veel zwart-rood-goud.' De jongens winnen.

Een jonge generatie blaast in zomerse vrolijkheid een taboe van ouders en voorouders weg. Duitsers hielden wel van hun vrouw, maar niet van hun land. Althans niet openlijk. En zeker niet als rechtgeaard linkse intellectueel. De vlag wapperde op de Rijksdag, en voor het overige zo min mogelijk. De vlag was burgerlijk (oei), de eigenaar mogelijk geen loepzuivere democraat (oei,oei) en bovendien waren de kleuren lelijk.

In de doorgaans zwaarmoedige Feuilletons kunnen oudere commentatoren de maatschappelijke omwenteling nu slechts ternauwernood bijbenen. Bange typetjes verwateren het effect van de nationale kleuren overigens door tevens de Braziliaanse vlag te tonen.

Michel Kerres