Kippen

Met dit hete weer leek een dagje in een rustige buitenplaats te verkiezen boven de volle stad. Dat kwam goed uit, want de kippen van een vakantievierend familielid moesten toch verzorgd worden.

Hoe heerlijk is het om die jachtige, walmende, stinkende stad achter je te laten in het vooruitzicht van een groen Arcadia, waar de mens nog weet waartoe hij op aarde zou moeten zijn: om niets te doen waarin hij geen zin heeft. Alles had ik bij me om mijn toekomstige genot te verhogen: een korte broek (die mogen mannen in de grote stad niet dragen, vind ik), een honkbalpet (idem) tegen de felle zon en een goed boek.

Mijn trein had gelukkig airconditioning, wat ik maar meteen als een gunstig voorteken opvatte. Treinen zónder airconditioning zijn dezer dagen te herkennen aan te dikke, blondgeverfde conductrices die in totale versuffing, de benen wijd gespreid, op een bankje in de eersteklas wegkwijnen.

Aangekomen in die rustige buitenplaats voelde ik me nog zó fris dat ik de autobus versmaadde en een wandeling naar mijn doel begon. Het was een mooie route door een waterrijk gebied, maar ik merkte nu toch dat deze zon een genadeloos natuurverschijnsel was. Het zweet droop omlaag uit mijn pet, wat weer eens de nooit bevredigend beantwoorde vraag bij me opriep: waarom dragen zoveel tennissers een pet? Ik borg de mijne op en sukkelde verder.

Het huis stond in een rijtje aan een breed kanaal. Het was er vreemd leeg. Iedereen die me hier dierbaar was, was weg, inclusief de katten. Alleen die kippen waren er, ze kwamen zelfs luid kakelend uit het donkere deel van hun hok op me af. Ik kende hun ludieke namen - Henk, Frits en Jan - maar wist eigenlijk niet of die nu positief of negatief bedoeld waren voor de gelijknamige tv-helden. Kippen kakelen, soms zelfs zonder kop, maar ze kunnen ook een lekker eitje leggen. Ik wist ook niet wie bij welke naam hoorde, maar ik kon wél vaststellen dat één van hen danig mank liep.

Toen ik ze gevoederd en gelaafd had, trok ik me terug onder de bomen om van mijn boek te genieten. De laatste keer dat ik hier gezeten had, was het er heerlijk rustig geweest, maar nu hoorde ik opmerkelijk veel gepraat uit de aangrenzende linkertuin komen. 'Proficiat!' zei iemand. Toen wist ik hoe laat het was, hoe warm en hoe ver.

Steeds meer stemmen dreven opgewekt over de heg. Het accent was loom, romig Surinaams. Opeens hief een koortje in het Sranangtongo een melodieus feestlied aan. Zelfs de kippen werden er even stil van. Leve de multiculturele samenleving, maar jammer voor mijn boek.

Vanaf dat moment leek het of de héle buurt uit een hazenslaapje ontwaakte. In een achtertuin begonnen kinderen te gillen in een badje. De pubers van de buurman rechts zetten kadéng-kadéng-muziek op, en wat er nog overbleef aan rust, werd door een zaagmachine aan stukken gereten. Ik sloot mijn boek en toen mijn ogen.

'Wie was nou die manke kip?' vroeg ik 's avonds, terug in de stille stad, toen ik de vakantievierders aan de telefoon kreeg.

'Frits', zeiden ze.

Dat kon er nog wel bij.