AOW wordt inzet verkiezingen

De AOW is vorige week vijftig geworden. De invoering van het staatspensioen is geruisloos voorbijgegaan. De toekomst van de AOW staat ter discussie.

De collectieve oudedagsvoorziening is een politiek onderwerp van formaat. Er is een demografische tangbeweging van vergrijzing en ontgroening aan de gang, waardoor de AOW lastiger te bekostigen is. Het zal een hevig strijdpunt worden bij de verkiezingen van volgend jaar.

Op 1 januari 1957 konden de eerste Nederlanders van 65 jaar en ouder ‘van Drees trekken’ – hoewel de Algemene Ouderdomswet niet door de toenmalige PvdA-premier Willem Drees, maar door PvdA-minister van Sociale Zaken Ko Suurhof werd ingevoerd. De opzet was simpel: alle werkenden betaalden premies en alle 65-plussers kregen pensioen. De werkende bevolking was in die tijd jong genoeg om dit omslagstelsel te financieren. Aanvankelijk was de AOW waardevast – dat wil zeggen: inflatiebestendig – later ook welvaartsvast: AOW’ers mochten meedelen in de groeiende welvaart. Zolang de economisch actieve bevolking in omvang veel groter was dan de groep inactieven, was er geen vuiltje aan de lucht. Al werden de AOW-uitkeringen in de loop van de tijd ook herhaaldelijk bevroren.

Geleidelijk kropen de premies omhoog. Een steeds groter deel van de laagste belasting- en premieschijven ging op aan de verworvenheden van de verzorgingsstaat. Dat joeg de bruto loonkosten omhoog.

Met een vooruitziende blik op de vergrijzing besloot Ad Melkert, minister van Sociale Zaken in het eerste kabinet-Kok, in 1996 om voor de AOW-premie een maximum in te stellen. Sindsdien mag de AOW-premie wettelijk niet meer bedragen dan 18,25 procent van het inkomen. Feitelijk bedraagt de AOW-premie op het ogenblik 17,9 procent van de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. In de derde en vierde schijf – vanaf een bruto-inkomen van 30.631 euro – worden geen sociale premies meer geheven en alleen belastingen.

Hierdoor ontstaan er tekorten bij de uitkeringen, die worden aangevuld uit de ‘algemene middelen’, dat wil zeggen uit de schatkist. Melkert zette aldus de eerste stap naar de ‘fiscalisering’ (betaling uit belastingen en niet door premies) van de AOW. Op het ogenblik wordt bijna 20 procent van de AOW-uitkeringen uit de schatkist betaald en dit aandeel zal vanzelf toenemen, omdat de verhouding actieven-inactieven gestaag verschuift.

Ondanks deze maximering van de premie is de AOW nog altijd een omslagstelsel. Dit betekent dat vanaf het 65-ste jaar geen AOW-premies meer worden geheven. De tarieven van de eerste en tweede schijf zijn voor alle gepensioneerden dan ook een stuk (17,9 procent) lager dan voor 65-minners.

De Nederlandse pensioenvoorziening bestaat niet uitsluitend uit het staatspensioen van de AOW. Vrijwel alle werknemers nemen verplicht deel aan collectieve bedrijfspensioenregelingen. De regelingen voor VUT- en vroegpensioen zijn onder het huidige kabinet aangescherpt en aangevuld met de levensloopregeling, maar voor 65-plussers blijft het bedrijfspensioen een cruciale aanvulling op de AOW. Daarnaast kunnen burgers individueel extra sparen in de vorm van (tegenwoordig beperkt) aftrekbare premies voor lijfrentes en koopsompolissen. Voor veel mensen bestaat het inkomen vanaf het 65-ste jaar dan ook uit drie componenten: staatspensioen, bedrijfspensioen en particulier pensioen.

Uit de jongste studie over de vergrijzing van het Centraal Planbureau (CPB), Ageing and the sustainability of Dutch Public Finances die enkele maanden geleden uitkwam, blijkt dat er zelfs met grotere arbeidsdeelname en aanpassingen van de sociale zekerheid de komende veertig jaar problemen kunnen ontstaan bij de financiering van de zorg en de AOW. Het CPB heeft aangekondigd dat het de verkiezingsprogramma’s van de partijen zal gaan doorrekenen op hun ‘vergrijzingsbestendigheid’: partijprogramma’s die positief scoren op de opvang van de vergrijzingskosten, krijgen een gunstiger beoordeling.

Het ‘linkse’ antwoord van PvdA, GroenLinks en SP hierop is: versnelde fiscalisering van de AOW. Dit betekent dat alle gepensioneerden een hoger belastingtarief moeten betalen over de eerste en tweede schijf. Het ‘rechtse’ antwoord van onder meer VVD en CDA: verbreding van de arbeidsdeelname, langer werken en zorgen voor een overschot op de begroting zodat er geld vrij komt door vermindering van de rentebetalingen over de staatsschuld.

PvdA-leider Bos kwam onlangs met voorstellen om gepensioneerden met een aanvullend pensioen van ten minste 10.000 euro te laten meebetalen aan de AOW. Dat doet het goed in de CPB-doorrekeningen, maar ligt gevoelig bij de bevolking en is politiek explosief.