Intelligent design: dodelijke balletdanseressen

Op zoek naar plant en dier in heilige boeken kan Maarten ’t Hart parasieten maar moeilijk rijmen met de tevredenheid van het Opperwezen over zijn eigen schepping. „Geen woord over de vraag waarom de Onzienlijke zo’n honderd miljoen mensen overlevert aan de wurggreep van zuigwormen.”

„Mijn vader zei vaak: ‘Als God liefde is, waarom heeft Hij dan de mug geschapen?’” (Op de foto een malariamug) Malaria mosquito
„Mijn vader zei vaak: ‘Als God liefde is, waarom heeft Hij dan de mug geschapen?’” (Op de foto een malariamug) Malaria mosquito www.cdc.gov

In Soera 32 van de Koran lezen we in de verzen zes en zeven over „de machtige, de wijze die alles wat Hij geschapen goed gemaakt heeft”. De bijbel gaat nog een stap verder, daar kijkt God elke scheppingsdag tevreden achterom, „en zag dat het goed was”. De slotregel van Genesis 1 luidt zelfs: „En God zag al wat hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.”

Onlangs verscheen onder de titel Schitterend ongeluk of sporen van een ontwerp? een geschrift waarin vijftien auteurs menen te ontwaren dat mens, dier en plant „zeer goed” geschapen zijn. Derhalve moet er wel sprake zijn van een ontwerp, een intelligent design (ID), en, in het verlengde daarvan, ook van een designer. (Eén van die vijftien, Ronald Meester, gelooft merkwaardigerwijs wel in het ontwerp, maar niet in een ontwerper.) Nieuw is die gedachte natuurlijk niet. Reeds David Hume schreef in The natural history of religion(1995): „De gehele structuur van de natuur wijst op een intelligente schepper.” Om overigens in het vervolg van zijn prachtige pamflet het verschijnsel monotheïsme als een huiveringwekkend fenomeen te karakteriseren.

Eén van de ID-auteurs, Mart de Groot, zegt in zijn artikel: „Als we de schoonheid die in de natuur alom aanwezig is, zien als een gift, dan gaan onze gedachten uit naar een gever.” Alom aanwezige schoonheid in de natuur? Al die verbijsterende prionen, virussen, bacillen, parasieten die het op mens en dier gemunt hebben? Schoonheid als gift? Denkt Mart de Groot daarbij aan de ruim honderd verschillende soorten wormen die ons belagen? Sommige daarvan betreden het lichaam via de aars om, nadat ze onderweg al peuzelend het menselijk lichaam in een Zwitserse gatenkaas getransformeerd hebben, inmiddels in gezelschap van talrijk kroost, via het verwoeste oog weer naar buiten te kruipen. Van design kan zeker gesproken worden, maar dan eerder van sadistisch dan van intelligent design.

Heeft God toen Hij op één zijner scheppingsdagen ’s avonds tevreden constateerde dat het ‘goed’ was wat Hij had gemaakt, daarbij een aparte gedachte gewijd aan de Malariamug? Dacht Hij toen: wat een prachtig ontwerp, wat een intelligent design? Goed voor miljoenen doden per jaar gedurende aeonen. Een uiterst fragiel organisme waar de mens desondanks met al zijn vernuft in geen tienduizend jaar een remedie tegen zal weten te vinden. „God schaamt zich niet een voorbeeld te geven met behulp van een mug”, zegt de Koran veelzeggend (Soera 2 vers 26).

Ik vind het reuze eigenaardig dat veertien van de vijftien auteurs die samen verantwoordelijk zijn voor dat armzalige Ongeluksgeschrift volledig voorbijgaan aan de vraag hoe je het idee van Intelligent Design kunt rijmen met gruwelen als het Ebola- of aids-virus. Zeker, schitterende ontwerpen, griezelig vernuftig zelfs. Maar wie een terminale Ebola-patiënt aanschouwt, bij wie het bloed uit alle lichaamsopeningen gutst, denkt terstond aan wat Karel van het Reve schreef over de ongelooflijke slechtheid van het Opperwezen. De enige auteur uit het Ongeluksgeschrift die rept over „het ons tegen de borst stuitende parasitisme” is J. Lever, maar ook die stelt zich niet de vraag hoe dat stuitende parasitisme te rijmen valt met de „welwillende schepper” waarover Gerard Bodifée rept. Niettemin neemt Lever nergens de term ‘intelligent design’ in de mond, verder dan een ‘scheppend Onzienlijke’ komt hij niet, maar helaas geen woord over de vraag waarom die Onzienlijke zo’n honderd miljoen mensen overlevert aan de wurggreep van de ziekte bilharziosis die door de zuigwormen van het geslacht Schistosomidae worden veroorzaakt. Eén van de zuigwormen, van het geslacht Leucochloridium, heeft als tussengastheer een barnsteenslak. De sporocyten van de zuigworm kunnen in die barnsteenslak een centimeter lang worden, ze zijn fraai geringd in afwisselend groene en bruine tinten, en bewegen zich in de slak ritmisch voort als balletdanseressen. Ze kruipen omhoog in de tentakels van de slak, daarbij voortdurend slangachtige bewegingen makend als backing vocals bij popconcerten. Als gevolg daarvan wiegen die barnsteenslaktentakels ook heen en weer als reli-popzangers. Waardoor ze de aandacht trekken van fouragerende vogels. Aldus komen de sporocyten in de vogel terecht waar ze uitgroeien tot volwassen zuigwormen, die weer de boer opkunnen om nieuwe slachtoffers te maken. Als dat geen intelligent design is!

Makkelijk zou ik nog honderd van deze verbijsterende staaltjes van intelligent design kunnen geven. Wie een boek over parasitisme leest, wordt bekropen door het ijzige, beklemmende gevoel: wat is dat voor een morbide Ontwerper die hier achter zit? Mijn vader zei vaak: „Als God liefde is, waarom heeft Hij dan de mug geschapen?” Ach, die mug, dat is nog maar kinderspel, vergeleken met zuig-, spoel- en lintwormen.

Jezus heeft er overigens weet van dat parasitaire wormen afschuwelijk design vormen. Als bijzondere bijkomstigheid van het verblijf in de hel meldt hij dat „daar de worm niet sterft” (Marcus 9 vers 44, 46 en 48). Onze hoogleraar parasitologie zei eens tijdens een college: „Wat een aantrekkelijk werkterrein na onze dood. Besef overigens wel dat parasitaire wormen op aarde al haast niet dood te krijgen zijn.”

Als een frappant, ludiek staaltje van intelligent design mag overigens gelden de ogenschijnlijk zo schrandere gelovigen die zich ondanks zo’n overweldigende hoeveelheid bewijzen voor het tegendeel hardnekkig blijven vastklampen aan het idee van een ‘welwillende’ Schepper, de voorbeeldmug uit de Koran ten spijt.