‘Opinie hoort niet in een roman’

Archieven wilde Barbara Honigmann niet zien toen ze zich verdiepte in het verleden van haar moeder, een spionne van wie ze leerde: „Blijf dicht bij de waarheid als je liegt.”

Barbara Honigmann Foto Leo van Velzen Amsterdam, 11/05/06. Barbara Honigmann, schrijfster. Foto Leo van Velzen Nrc.Hb.
Barbara Honigmann Foto Leo van Velzen Amsterdam, 11/05/06. Barbara Honigmann, schrijfster. Foto Leo van Velzen Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Ze draagt zwarte kousen, een zwarte rok en een hooggesloten zwarte bloes met lange mouwen. Het is een warme dag, maar Barbara Honigmann geeft niet toe aan de wijdverbreide neiging om zoveel mogelijk bloot aan zon en vreemde blikken prijs te geven. Honigmann is joods, op het orthodoxe af. Zelf noemt ze het ‘kosjer light’.

„Dat betekent”, legt ze in een Amsterdams hotel uit waarbij ze naar een schaal op tafel wijst, „dat wij thuis kosjer eten, maar als ik hier ben eet ik deze koekjes, zonder stempel van het rabbinaat.” Ze is in Amsterdam om uit haar nieuwe boek Ein Kapitel aus meinem Leben voor te lezen, waarvan zojuist een Nederlandse vertaling is verschenen. Barbara Honigmann woont in het Franse Straatsburg, ze schrijft in het Duits en haar werk gaat over Duitsers en joden. En over ballingschap, ontworteling en anderszijn en de zoektocht naar een eigen joodse identiteit uit verzet tegen de assimilatiedrang van de oudere generatie.

Of, zoals de inmiddels ook niet meer zo jonge, in 1949 geboren schrijfster het uitdrukt: ‘We zijn op zoek naar waarom we joden zijn, of dat zin heeft, of we die zin kunnen vinden of geven. Het is een zoektocht naar wat er in die oude teksten staat en wat erachter zit.” Met dat ‘we’ doelt ze niet alleen op haar gezin maar ook op het clubje vrouwen, daar in Straatsburg, dat al twintig jaar bijeenkomt om Tora en Talmoed te lezen, alles in het Hebreeuws. Zo’n leesclubje zocht ze vergeefs in Berlijn, waar ze eerst woonde. „De joodse gemeente in Berlijn is klein en weinig ontwikkeld terwijl die in Straatsburg levendig en veelzijdig is. Daarom, en om de Duitsers met hun overgevoelige gedrag tegenover joden te ontvluchten, ben ik daar naartoe verhuisd.”

Stalinisme

In Een hoofdstuk uit mijn leven keert Berlijn terug. Oost-Berlijn, om precies te zijn. Eens hoofdstad van de DDR en centrum van het Duitse stalinisme. Honigmann woonde er met haar moeder. En over haar, die moeder, gaat het nieuwe boek vooral. Zij had het altijd over ‘dat hoofdstuk uit mijn leven’ als haar puberdochter haar vroeg naar de blinde vlek in haar biografie: haar huwelijk met de Brits-Russische dubbelspion Kim Philby. De puber kreeg geen antwoord en jaren later probeert Honigmann die blinde vlek alsnog op te helderen door zich in de titel helemaal met haar moeder te identificeren. Zo doet zij wat de moeder naliet: ze houdt het verleden vast. Ze schrijft, in een taal die door haar grote compactheid evengoed veel verzwijgt, de geschiedenis van haar familie, tegen het zwijgen van haar moeder in.

Discretie was een plicht voor de vrouw die al in de vroege jaren dertig het spionagenetwerk van de roden steunde – waarschijnlijk was het Honigmanns moeder die de keurige Cambridge-student Kim Philby tot de communistische heilsleer bekeerde. Die hem zelfs aanwierf voor de KGB, om net als zij mensen te verklikken. Nog steeds vraagt de dochter zich af: „Had zij zo’n gesloten karakter door dat geheime-dienst-verleden van haar of heeft ze dat geheime-dienstwerk gedaan omdat ze zo’n gesloten karakter had? Wat was er eerder, de kip of het ei?” Barbara Honigmann praat met een vertrouwelijk Berlijns accent en haar schoenen heeft ze uitgeschopt. Ineens toont de stijve joodse dame haar spontane kant. „Mijn moeder”, zegt ze, „leerde mij om altijd en overal onberispelijk te blijven. Tegelijkertijd was ze grillig en impulsief. Ze veranderde net zo vaak van haarkleur als van man of woonplaats. Ze was aantrekkelijk, charmant, communicatief en gastvrij, maar je merkte dat er een barrière was waar je niet snel overheen kwam.”

Verraad

De moeder werd in 1910 in Hongarije geboren en ze woonde in Wenen, Londen, Parijs, Oost-Berlijn en tot aan haar dood in 1991 weer in Wenen. Ze was een balling die in Londen bescherming tegen de nazi’s vond en toch verraadde ze het geliefde Engeland door naar de Russen over te lopen, zoals ze ook haar joodse afkomst verloochende en haar mannen bedroog. ‘Misschien behoorde mijn moeder tot die mensen die wat zij liefhebben moeten verraden en juist in dat verraad hun verbondenheid uitdrukken’, schrijft Barbara Honigmann. Mondeling formuleert ze milder. „Ik kan haar niet veroordelen. De geschíedenis heeft al geoordeeld – door de Muur te laten vallen. In de vroege jaren dertig hoopte mijn moeder op een betere, rechtvaardigere, socialere wereld. En na de Tweede Wereldoorlog was Stalin de overwinnaar. Dat hield de ineenstorting van het communisme nog een tijdje tegen. Het was van binnen nog niet helemaal uitgehold.”

Honigmann geeft toe: „In 1937, 1938 had je in Moskou grote showprocessen waar alle kranten over schreven. Er waren toen al communisten die daardoor afstand tot het communisme namen. Degenen die die showprocessen accepteerden moesten voor zichzelf veel goedpraten. Mijn moeder was niet eerlijk.” Dat wist die moeder zelf ook wel. Ze zei steeds tegen haar dochter: „Ten eerste, je mag niet liegen. Ten tweede, als je liegt, blijf dan zo dicht mogelijk bij de waarheid.” Een lesje dat Honigmann bij het schrijven goed van pas kwam.

Ze putte uit haar geheugen en uit haar fantasie en weigerde de archieven in te duiken: „Ik wilde geen historisch verhaal schrijven en geen documentaire over de geheime dienst. Ik wilde een vrouw portretteren die in spionage verstrikt is.” De grootste moeilijkheid, vertelt Honigmann, was dat zij zich al schrijvend politiek op de vlakte moest houden. „Ik kan Kim Philby niet uitstaan, ik vind hem een Kotzbrocken. Maar voor de lezer is het niet interessant dat ik hem veracht. Van Proust komt de uitspraak: ‘Boeken die meningen bevatten zijn als cadeautjes waar het prijskaartje nog aan hangt.’ Een verhaal mag niet opdringerig zijn, een kunstwerk is een weergave en geen stemmingmakerij. Je moet een verhaal binnen kunnen gaan als een huis. Als je aanbelt word je binnengelaten en dan kijk je wat rond en de een ziet dit en de ander ziet iets anders, en zo is het goed.”