DE FINALE Iedereen op de knieën

Ik ga naar Togo-Frankrijk. Op 23 juni, in Keulen. Wat heb ik te zoeken bij die wedstrijd en hoe komt dat zo? De kaartjes voor de WK-wedstrijden moesten al meer dan een jaar geleden aangevraagd worden en werden bij loting toegewezen. Vriend Jaap schreef ons voor allerlei wedstrijden in, maar kreeg alleen entreebewijzen voor wedstrijd 45. Maanden later bleek dat Togo-Frankrijk te zijn.

Dus nu gaan we naar Togo-Frankrijk. Wat weet ik van Togo? Niets. En van Frankrijk? Ook niet veel. Voor deze situatie is nu de WK-gids voor geschoolde voetbalfans gemaakt, een 464 bladzijden dik naslagwerk waarin de belangrijkste feiten over de 32 deelnemende landen opgezocht kunnen worden. De hoofdstad van Togo: Lomé; aantal inwoners: 5.681.519. De zuigelingensterfte, het inflatiecijfer, de reële bbp-groei, de belangrijkste talen en religies. Ze doen er aan veeteelt, en ze vangen er vis. Ook vinden we in het boek allerlei voetbalstatistieken, die ons leren hoe Togo zich voor het WK kwalificeerde. En nog veel meer: de kleuren van het thuis- en uittenue, de naam van de trainer en de bijnaam van het nationale team: de Sperwers.

Tussen de staathuishoudkundige en voetbalhistorische statistieken in bevindt zich bij elk deelnemend land een tien pagina’s tellend verhaal, of reportage. Daarmee wil dit boek zich onderscheiden van de gemiddelde WK-gids. Slim of gestudeerd hoef je er trouwens niet voor te zijn. Met de ‘geschoolde’ fans uit de titel zullen letterlievende en achtergrondbehoeftige fans bedoeld zijn: liefhebbers die een aardige indruk van een land willen krijgen.

In het geval van Togo werd de Keniaanse schrijver Binyavanga Wainaina benaderd. Voor de geschoolde voetbalfan is dat misschien een voor de hand liggende keuze, maar voor mij was de naam nieuw. Hij trok voor ons naar Togo en deed verslag van zijn reis door het land. Het werd een interessante beschouwing, met aandacht voor de vroegere slavenhandel en voor het bewind van dictator Gnassingbé Eyadéma (die zijn tegenstanders aan de krokodillen voerde), een kort overzicht van de belangrijkste Togolese voetbalfeiten en veel oog voor de couleur locale. Op de markt van Lomé treft hij ‘de grootste voedingsbeha’ aan die hij ooit heeft gezien: ‘wit, vol ijzerdraad, onheilspellend voorzien van katrollen, ventielen en een verplaatsbare steunbeer of twee’. Met dit soort toeristische observaties eindigt het stuk. Het is geen straf zo’n exotisch verslag te lezen. Het brengt een anoniem elftal tot leven. Straks zal ik in Keulen met het nationale team van Togo onwillekeurig ook elf reuzenbeha’s het veld op zien komen.

Wie zullen de voedingsbeha’s tegenover zich aantreffen? Het zijn de blauwen, bijnaam voor het Franse elftal. Frankrijk nam elf keer deel aan een WK, was eenmaal winnaar, reële bbp-groei 2,1%, enzovoort. Aleksandar Hemon, Joegoslaaf van geboorte, nu woonachtig in Amerika, schreef een melig verhaal over vroegere WK’s, vermengd met vroegere verliefdheden. Voorspelbare opmerkingen over ‘Teutoonse ratio’ en ‘Gallische passie’. Niets nieuws of verrassends over het Franse voetbal, of over voetbal in het algemeen, of over het naderende WK. Je hebt er niet veel aan – behalve dat ik er onbedoeld een argument aan ontleen om straks, in Keulen, te weten voor wie ik moet zijn. Voor Togo dus.

Van dit soort bijdragen zijn er meer te vinden in deze WK-gids. Beetje persoonlijk, beetje belezen, beetje sociologie van de koude grond, beetje generaliseren over landsaard en spelopvatting – en dat is het dan. Het mogen dan wel, volgens de rugtekst, ‘literaire topauteurs’ zijn, onder wie Henning Mankell, Dave Eggers, Tim Parks en Nick Hornby, maar veel nieuws hebben ze niet te melden in hun bijdragen over respectievelijk Angola, de Verenigde Staten, Italië en Engeland. Saïd Sayrafiezadeh schrijft geestig over zijn pogingen om de taal van Iran te leren – maar het leert ons niets over het voetbal aldaar. Wie is de spits? Wie neemt de vrije trappen? Speelt Iran met de punt naar achteren? Hetzelfde geldt voor de bijdrage van Kees ’t Hart: een kleine studie naar het fenomeen van de internationale voetbalhumor. Leuk, maar het heeft niets met het WK, of het Nederlands elftal te maken.

Daar staan dan weer een paar geweldige alinea’s van John Lanchester tegenover. In zijn stuk over Brazilië raakt hij af en toe aan een hogere vorm van voetbalessayistiek – als hij het bijvoorbeeld heeft, in lange meeslepende zinnen, over de moeilijkheid van voetbal en de schoonheid ervan, en hoe die twee dingen samenhangen. Er gaat in voetbal heel veel moois net mis.

Het meest opvallende van dit voetbalboek: er staan geen foto’s in, behalve op het omslag. Ik heb er lang naar gekeken. We zien Maradona op de rug, geknield, een krijtstreep precies tussen zijn benen door, de handen geheven, het hoofd omhoog. De beste voetballer ter wereld, in zijn eentje op het gras, de voorzienigheid dankend voor de overwinning, na de finale in Mexico in 1986. Voetbal is religie. Hij deed mij denken aan een heel andere foto, in het nieuwe boek van Hans van der Meer, genomen op 16 mei 2005, in Celerina, Zwitserland. FC Lusitanos de Samedan speelt tegen CB Laax. We zien een voetbalveld vanuit de hoogte gefotografeerd, tegen een achtergrond van bergen met besneeuwde toppen. Amateurwedstrijd, een stuk of dertig toeschouwers, een eenvoudige bouwkeet als kantine. Waar te kijken? De spelers zijn maar klein, de wedstrijd is maar bijzaak in dit machtige decor. Als we naar het veld kijken, dan zien we dat er net een strafschop is genomen. De bal is onderweg, de keeper duikt naar de hoek, iedereen kijkt naar het doel – en niemand ziet dat rond de middellijn een speler van de aanvallende partij op zijn knieën zit, de handen smekend voor de borst, biddend om een doelpunt.

Hij is in bijna alles het tegendeel van de beroemde stervoetballer op het hoogtepunt van zijn roem, zoals alles in het fotoboek van Van der Meer het tegendeel is van topvoetbal. Amateurvoetbalvelden overal in Europa, als onopvallend onderdeel van een landschap: aan de voet van hoge bergen, tussen de flats, met uitzicht op de oceaan, tussen de olietanks en de pijpleidingen. Anonieme mannen op een knollenveld, op zand, in de brandende zon of in de sneeuw. Soms ligt er iemand op de grond, of kruipt als een hond naar de zijlijn – maar het spel gaat gewoon verder. Soms staan ze met de koppen tegen elkaar, soms zijn ze volstrekt alleen. Iedereen voelt wel aan: zo is het ooit begonnen. Dit is de bakermat van het voetbal. En hier zal het ook altijd weer naar terugkeren, als de heksenketel van een WK weer voorbij is.

Op een andere foto zien we zeven spelers en een keeper naar de blauwe lucht kijken. Ze zien iets wat wij niet zien, vermoedelijk een bal. Een bal uit den hoge. Verder is er niemand aanwezig. Geen toeschouwers, op één na. Het is een hert, dat even naar de cornervlag is komen lopen om te zien hoe deze aanval afloopt. De rest van de roedel vermaakt zich een paar meter verderop. Onwaarschijnlijk tafereel: loslopende hertjes bij een voetbalveld, en het spel gaat gewoon door. Volgens het onderschrift is de foto genomen in Dublin, maar dat moet een vergissing zijn. We zijn hier op het sportcomplex van de Hof van Eden. Op de altijd groene velden zien we het eerste elftal van FC Paradijs spelen tegen het eerste van VV Grazige Weiden.

WK-gids – Europese velden 2–3 (n.v.)