Van Basten, de Benelux en betonrot

Dit stukje gaat ogenschijnlijk over voetbal, maar uiteindelijk juist weer niet. Dat vermeld ik alvast, omdat anders alleen al daarom zoveel lezers afhaken.

Een tijdje geleden pleitte de belangrijkste Nederlander in de komende weken, Marco van Basten, voor een Benelux-competitie. Hij werd beleefd weggehoond door voetbaldirecteuren in Nederland en België. Zij lieten weten dat het niet kan en lieten ook doorschemeren dat Van Basten daar natuurlijk ook geen verstand van heeft, want dan moet je een beetje business plan kunnen lezen, nietwaar.

Hugo Camps schreef in deze krant in zijn vertrouwde arabeske bewoordingen dat voetbal in België meer nog dan elders in de wereld een geïntensiveerde cocktail van tristesse en verloedering is. België? Van Basten wist niet waar hij het over had – einde verhaal.

Vijftien jaar geleden was er eenzelfde suggestie. De toenmalige doelman van PSV, Hans van Breukelen, zei dolenthousiast: „Wat mij betreft kan het met één telefoontje met de Belgen beklonken worden.” Ook toen waren het bestuurders (overigens niet KNVB-voorzitter Martin van Rooijen) die meewarig het hoofd schudden over zoveel kinderlijkheid.

De argumenten van destijds om zo’n Benelux-competitie op te zetten zijn de werkelijkheid van vandaag. Eerst legde België en daarna Nederland het loodje tegen de grote landen. Talent zou verdwijnen, de B-status zou volgen. De voetbalcompetities van grote voetballanden zouden het oog van de wereld krijgen. Televisierechten en marketing zouden enorme verschillen teweegbrengen tussen de financiële slagkracht van clubs in zulke competities en van de kleintjes.

Zo is het gegaan. Eerst is de Belgische competitie verder weggezakt en daarna was Nederland aan de beurt. Natuurlijk had een Benelux-competitie op het toernooiveld van de wereldwijde aandacht Engeland, Spanje of Italië niet kunnen verslaan, maar misschien nog wel Duitsland of Portugal, die nu ook hun televisierechten aan veel landen in de wereld verkopen.

Is dat erg? Het is voetbal en dus slechts bijzaak. Maar waarom het destijds niet ‘haalbaar’ was – dat vreselijke woord viel toen ook al – , is veelzeggend. Om te beginnen waren er natuurlijk allerlei kleinere eredivisieclubs die liever niet wilden worden teruggezet in een lagere divisie. Je krijgt in het Haagse Zuiderpark nu eenmaal ook liever PSV op bezoek dan Veendam. Dat was het gebruikelijke particularisme. Veel vervelender was de ongelijkheid tussen Nederland en België en die tussen Wallonië en Vlaanderen.

Nederland zou gezien clubbegrotingen en supportersaanhang meer clubs in zo’n Benelux-competitie krijgen dan België. En voorzover het wel en wee van voetbalclubs ook iets zegt over de economie van de omgeving, zag het er ook toen al belabberd uit voor de Walen. Zij zouden vermoedelijk niet verder komen dan één vertegenwoordiger, Standard Luik.

Het doet denken aan de KLM en de Belgische Sabena. Op papier was het een mooie combinatie geweest, maar de Vlamingen wilden liever de baas blijven in een krakkemikkige Belgische luchtvaartmaatschappij dan te schikken. En de KLM dacht groot. Het resultaat kennen we: de één bestaat praktisch niet meer, de ander is een volledige dochter van Air France. Het aantal voorbeelden is via banken en verzekeringen gemakkelijk uit te breiden.

Het onmiddellijk afserveren van de suggestie van Van Basten illustreert nog eens hoe wij inmiddels allemaal leven in de zekerheid dat tussen Nederlanders en Belgen niets gaat. Af en toe is er nog een deftig congres of een jubileumbundel over de Benelux, maar verder is iedereen overtuigd van de onoverbrugbare verschillen. Nederland voelt zich te veel grote mogendheid in een notendop om serieus met België en Luxemburg te willen verkeren en België leunt – voorzover het bestaat – tegen Frankrijk en kan door interne verdeeldheid weinig anders doen dan hopen op de grote oplossing van interne verdeeldheid: een Europese federale staat.

Aan beide kanten van de grens verschenen scherpe, hilarische essays van kenners als Derk-Jan Eppink (Avonturen van een Nederbelg) en Geert van Istendael (Mijn Nederland) die het vergrootglas op de grote verschillen en eindeloze misverstanden tussen Belgen en Nederlanders leggen.

Het lunch-broodje-kaas-cliché heeft inmiddels zo’n omvang gekregen dat Nederlanders in de beeldvorming gemakkelijker zaken kunnen doen met Chinezen die ’s ochtends tussen de sigarettentrekjes door gebakken mie naar binnen slobberen, dan met Belgen die een broodje kaas ’s middags wat sober vinden.

Het celebreren van de verschillen tot ware kunstwerken van nationale identiteit zit in een hoogconjunctuur. Het past weliswaar in de tijdgeest, volgens welke verdere Europese integratie een contraproductieve luchtspiegeling voor dromers is en de natie het enige houvast voor de dolende burger. Maar slaat het niet een beetje door?

Steun voor een Benelux-competitie was er de laatste jaren voornamelijk nog vanuit PSV. Maar ja, voorzitter Harry van Raay bepleitte het met de onmiskenbare restanten van de tongval van Sint Anthonis en op de tribunes van PSV zie je ook altijd dat het wat dichter bij België ligt: stevig opgemaakte dames in de rust aan een biertje. En vaak ook een Belg op het veld of in de staf. Beetje regionale folklore dus eigenlijk, zo’n Benelux-idee, met daarginds in Eindhoven natuurlijk te weinig oog voor het Grote Verschil.

Vijftien jaar geleden daarentegen was ook de voorzitter van Ajax nog enthousiast. Precies volgens dezelfde redenering dat anders Nederland net als België de Deense competitie achterna zou gaan.

Misschien is het nu inderdaad te laat en zijn de meeste clubs te ver weggezakt. Anderzijds is clubvoetbal onvoorspelbaar – er hoeft maar een nieuwe rijke met aandrang tot status langs te komen en de betonrot van een versleten stadion verandert morgen in een multifunctioneel glamourland.

Kortom, goed idee, Van Basten.

    • Ben Knapen