Oude rebel filmde bruisend

De Japanse filmmaker Shohei Imamura zette zich af tegen de subtiele film.

Hij ontwikkelde een eigen, bruisende stijl, van films die uit hun voegen barsten.

Foto Jean Pierre Amet 17 May 1998, CANNES, PROVENCE COTE D'AZUR, France --- Japanese director Shohei Imamura. --- Image by © AMET JEAN PIERRE/CORBIS SYGMA © AMET JEAN PIERRE/CORBIS SYGMA

Shohei Imamura, een van de belangrijkste Japanse filmmakers, is maandag op 79-jarige leeftijd overleden. Imamura was internationaal vermaard en gelauwerd. Met zijn films De ballade van Narayama (1983) en Unagi (De paling, 1997) won hij Gouden Palmen op het filmfestival van Cannes. Zijn productie, die sinds zijn debuut in 1958 aanvankelijk op gemiddeld een film per jaar lag, werd beduidend lager sinds hij in 1975 een eigen filmschool in Yokohama oprichtte, de academie voor visuele kunsten.

Imamura was een van de wegbereiders van de nieuwe Japanse cinema die in de jaren vijftig en zestig ontstond, precies zoals dat in andere landen ging, met Nouvelle Vague en Neue Welle. Het uitgangspunt was overal hetzelfde: wij willen geen films maken volgens regels die in de loop der decennia zijn geperfectioneerd en verstard. Imamura’s films barsten voortdurend uit hun voegen en alleen al in zijn keuze van onderwerp en locaties nam hij afstand van de in de grote Japanse studio’s geproduceerde cinema.

Imamura werd op 15 september 1926 geboren in Tokio als zoon van een arts. Zijn oudste broer kwam om tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een andere broer liet hem na de oorlog kennismaken met het avant-garde theater. Tijdens zijn geschiedenisstudie begon hij zelf toneelstukken te schrijven, waarin vrienden als Shoichi Ozawa en Takeshi Kato speelden, die later regelmatig zouden terugkeren in Imamura’s films.

Hij solliciteerde in 1952 bij filmstudio Toho, waar zijn idool, Akira Kurosawa werkte, maar daar was geen vacature. Zo kwam hij terecht bij de Shochiku-studio, waar regisseurs als Keisuke Kinoshita en de toen nog buiten Japan vrijwel onbekende Yasujiro Ozu werkten.

Imamura begon er als vijfde assistent van Ozu en heeft zichzelf vooral in het begin van zijn eigen carrière publiekelijk afgezet tegen de meester van de subtiele film. De cinema van Ozu was tot in het uiterste doorgevoerde kunstigheid, lange shots, vaak van grote afstand genomen, weinig of geen camerabewegingen. Toen Imamura in 1958 bij een andere studio zelf kon gaan regisseren, duurde het niet lang of hij ontwikkelde zijn eigen bruisende stijl en filmde liever komedies dan drama’s.

Zijn onderwerpen zocht hij aan de zelfkant, bij hoeren (The Insect Woman, 1963), gangsters, in havens en slechte wijken of juist in afgelegen dorpen. Zijn films waren uiterst vrij als het aankwam op seksualiteit. „Ik ben geïnteresseerd in de relatie tussen de onderkant van het menselijk lichaam en de onderkant van de samenleving”, zei hij zelf.

Hoe dan ook, als het maar weg was van de studio en de artificiële verhalen die daar werden verfilmd, dan was het goed. De films van de nieuwe generatie, waartoe ook Nagisa Oshima en Seijun Suzuki behoorden, werden meestal ook door nieuwe productiemaatschappijen gemaakt.

Imamura maakte zowel speelfilms als documentaires en mengde de genres vrolijk als dat zo uitkwam.

Voor de film Ningen johatsu (Een man verdwijnt) nam hij het politiedossier van een vermissing als uitgangspunt. Hij koppelde een acteur aan de echte verloofde van de verdwenen man en liet hen samen onderzoek doen naar de vermiste. Gaande de film begint de verloofde steeds warmere belangstelling voor de acteur te koesteren en vergeet ze het doel van haar zoektocht meer en meer. Aan het eind van de film stapt Imamura als regisseur zelf in beeld en geeft de kijkers onderricht in feit en fictie. Het decor wordt afgebroken om te laten zien dat wat we zagen niet echt was.

Die fascinatie voor documentaire, zowel in stijl als onderwerp, heeft Imamura op generaties filmstudenten getracht over te brengen in zijn filmschool Nihon Eiga Gakko. ,,Kijk goed naar de mensen en probeer ze interessant te vinden.’’

Een oude rebel als Imamura zal er toch wel plezier in hebben gehad dat er ook studenten als Miike Takashi van zijn school kwamen, die met evenveel plezier in totale fantasiewerelden duikt als Imamura ooit in de Japanse werkelijkheid.

De internationale waardering voor het werk van Imamura is altijd groot geweest, maar de bekroning ervan kwam vrij laat in zijn carrière, in de jaren tachtig. Toen maakte hij een reeks films die wereldwijd met succes vertoond werden: Eijanaika (1981), De ballade van Narayama (1983), Zegen (1987), Black Rain (1989). Vooral De ballade van Narayama maakte veel indruk, het bijna mythische verhaal van een arm dorpje waar de oudste bewoners de berg op werden gebracht om daar te sterven zonder de samenleving nog verder te belasten.

In de laatste twee decennia ging het allemaal veel minder snel. Unagi, het zinderende portret van een man die zijn leven weer probeert op te nemen nadat hij in de gevangenis heeft gezeten wegens moord op zijn overspelige vrouw, werd gevolgd door Kanzo Sensei (1998) en Akai hashi no shita no nurui mizu (2001).

De laatste productie waaraan hij meewerkte, was een internationaal veelluik over de aanslagen van 11 september 2001. Hij staat op de credits met oude meesters als Ken Loach (mede-Palmwinnaar tenslotte) en Claude Lelouch.

Maar het moet Imamura genoegen hebben gedaan dat er ook jonge filmers met al even bruisende ideeën over film als hijzelf meededen, als Alejandro González Iñárittu en Samira Makhmalbaf.

    • Bas Blokker