Opwaardering euro is logisch

In de huidige mondiale omgeving wordt een sterke euro steeds aannemelijker, meent Melvyn Krauss. Het zwijgen van ECB-president Trichet kan daar volgens hem op wijzen.

President Jean-Claude Trichet van de Europese Centrale Bank baarde op de persconferentie na de mei-vergadering van de ECB-bestuursraad opzien door wat hij niet zei. Trichet weigerde zich uit te spreken tegen een opwaardering van de euro. Is dit een teken dat het tij in Europa ten gunste van een sterkere euro aan het keren is? Of blijkt hieruit gewoon dat de ECB is teruggekeerd tot haar oude beleid om onder geen enkele omstandigheid commentaar op de wisselkoers te geven? Het antwoord zal misschien duidelijker worden op de juni-vergadering van volgende week donderdag.

Twee factoren wijzen op een mogelijke ommekeer. De ene is dat de prijs van ruwe olie op weg is naar 75 dollar per vat, of nog hoger. Ten tweede is het economisch herstel in Europa inmiddels zover dat de export niet meer de enige bron van groei is.

Ondanks de torenhoge prijs van ruwe olie en onedele metalen als koper, aluminium en zink is de stijgende euro een schild geworden voor het gestage Europese economische herstel. De prijs van deze goederen wordt tenslotte in dollars uitgedrukt. Doordat de euro ten opzichte van de dollar is gestegen, is de europrijs van ruwe olie en onedele metalen langzamer gestegen dan hun overeenkomstige dollarprijs. Aangezien de stijging van de dollarprijs van goederen nog altijd voortduurt, zal ook de waardevermeerdering van de sterkere Europese munt zich voortzetten.

De recente stijging van de euro heeft ook bijgedragen tot een beheersing van Europese langetermijnrente – een sleutelfactor voor de economische bedrijvigheid – omdat daardoor de inflatieverwachtingen in de eurozone enigszins zijn getemperd. In april gingen de stijging van de inflatieverwachtingen en de waardevermeerdering van de euro min of meer gelijk op. De opbrengst van de 10-jarige Duitse staatsobligatie, die volgens de verslechterde inflatieverwachtingen in die periode misschien had moeten oplopen, veranderde nauwelijks. Dat is een groot pluspunt voor een duurzaam economisch herstel.

Mocht het vertrouwen in Amerikaanse beleggingen op enig moment worden ondergraven, dan zal de stijgende euro de Europese rentevoet tegen de gevolgen helpen beschermen.

Toch blijven politici en misschien ook wel een aantal centrale bankiers ongerust over de munt, omdat ze bang zijn dat een sterkere euro tot stagnatie van de export en dus tot een mindere algehele economische ontwikkeling zou kunnen leiden. Maar deze angst zal waarschijnlijk wel afnemen als het Europese herstel zich verbreedt tot buiten de export en ook in de binnenlandse sector doorzet.

Er zijn aanwijzingen dat dit nu gaande is. Het vertrouwen van het bedrijfsleven blijkt in de hele economie van de eurozone groeiende te zijn, een teken dat wellicht een hausse van binnenlandse investeringen aanstaande is. Ook de nieuwe groeivoorspellingen van de ECB duiden mogelijk op een versterking van de interne economie. De angst dat een sterkere euro de kip met de gouden eieren zou kunnen slachten, zal de komende maanden vermoedelijk afnemen.

Natuurlijk kan niet worden verwacht dat iedereen in Europa even enthousiast is over een sterkere euro. De eurozone is een uitgestrekt gebied met verschillende landen, allemaal met een verschillende cultuur, geschiedenis, economie, politiek, enzovoorts.

Duitsland, met zijn geschiedenis van een sterke Duitse mark en zeer concurrerende kosten, houdt meer van de sterke euro dan bijvoorbeeld zijn partners Frankrijk en Italië, met hun geschiedenis van een zwakke binnenlandse munt en niet-concurrerende exportkosten. Het feit alleen dat er een gemeenschappelijke munt bestaat, is geen waarborg dat iedereen het erover eens is wat de waarde zou moeten zijn.

Toch lijken er ook in de landen met een traditioneel zwakke munt veranderingen op til die doen vermoeden dat er misschien een ommekeer zit aan te komen in de politieke houding en de publieke opinie inzake een sterkere euro.

Een goed voorbeeld is de recente verkiezing in Italië van een centrum-linkse regering onder leiding van Romano Prodi. Niet alleen was de Lega Nord – lid van de verdreven rechtse coalitie van Silvio Berlusconi – voorstander van een zwakke euro, maar ze was er zelfs voor dat Italië helemaal uit de euro terug zou treden. Ze is nu niet meer aan de macht, net zo min als Berlusconi zelf, die voorstander van een zwakke euro was ter compensatie van de Italiaanse economische inefficiëntie en het totale gebrek aan hervormingen tijdens zijn ambtstermijn. Als overtuigd Europeaan zal Prodi niet zo gauw voor een zwakke euro zijn.

Nog een veelbelovende verandering in Italië is de benoeming van Mario Draghi tot president van de Italiaanse Bank. Draghi, een gerespecteerd econoom van het Massachusetts Institute of Technology, is voorstander van economische hervorming en begrijpt de rol die een sterke euro speelt bij de bevordering hiervan.

Economische hervormingen moeten ergens van worden bekostigd en als de gelden – in elk geval ten dele – van buiten de EU moeten komen, dan moet de euro een sterke munt zijn. Draghi heeft gezorgd voor de vervanging van Antonio Fazio, wiens corrupte protectionistische praktijken in het Italiaanse bankwezen kapitaal van buiten Italië hadden afgeschrikt en de euro hadden gedrukt.

In de huidige mondiale omgeving wordt een sterke euro steeds aannemelijker. Het zwijgen van Trichet over de stijgende euro op de ECB-persconferentie van mei zou wel eens een stilzwijgende erkenning van deze nieuwe realiteit kunnen zijn.

Melvyn Krauss is senior fellow bij de Hoover Institution, Stanford University. © Project Syndicate

    • Melvyn Krauss