Niet eurosceptisch, maar eurokritisch

Het ‘nee’ tegen het Grond- wettelijk Verdrag heeft niet geleid tot een echte crisis in Europa. Het is wel zaak het draagvlak voor Europa structureel te vergroten. Daarvoor is een wezenlijke discussie over de taken van de EU en de grenzen van de Europese integratie nodig, betoogt Bernard Bot.

Een pas op de plaats. Dat is het enige gepaste antwoord dat de Nederlandse regering kon geven op de afwijzing van het Grondwettelijk Verdrag voor Europa door de meerderheid van de Nederlandse bevolking, op 1 juni vorig jaar. Alle grote woorden die vóór en na die bewuste dag zijn gebruikt om het ‘nee’ te duiden – crisis, licht uit, kompas kwijt, opstand der burgers – stroken echter niet met de realiteit van vandaag. Europa draait door, en Nederland doet volop mee.

Het beeld in de media is wel eens anders. Zo betoogde columnist Ben Knapen op deze pagina (Opiniepagina, 17 mei) dat het referendum een „reusachtige kaalslag” in ons land zou hebben aangericht. De „diep verdeelde” politieke leiders zijn al een jaar bezig aan een „zwerftocht zonder kompas” en hebben de reikwijdte van de gebeurtenissen „willen verdonkeremanen”. De vermeende richtingloosheid in Nederland staat in schril contrast met de ontwikkelingen in Europa, aldus Knapen. Zowel in Brussel als in de lidstaten wordt inmiddels nagedacht over ‘kerngroepen’ en alternatieven voor uitbreiding.

We zijn echter in het geheel niet richtingloos. De burger heeft met het nee wél een time-out afgedwongen – niet alleen in Nederland, maar ook in Europa. We bezinnen ons op functies en feilen van Europese integratie, in plaats van een vlucht naar voren te nemen.

Dit standpunt wordt inmiddels breed gedeeld. De Europese ministers van Buitenlandse Zaken, het afgelopen weekend bijeen in Wenen, zijn voorstanders van een verlenging van de bezinningsperiode met in elk geval een jaar.

Het recentelijk gehouden nationale opinieonderzoek over Europa maakt duidelijk dat meer debat over de toekomst van de Unie noodzakelijk is, met name over uitbreiding en bevoegdheden. Voorts blijkt uit de enquête dat de Nederlandse burger zowel positief als kritisch is over Europa. Hij steunt het lidmaatschap van de Unie, maar het tempo van de integratie ligt in zijn ogen te hoog. Voor verdere uitbreiding van de EU bestaat weinig steun, tenzij strikt de hand wordt gehouden aan de bestaande criteria. Op bepaalde terreinen wil de burger juist meer Europa, zoals op het gebied van asiel en migratie, de bestrijding van terrorisme, de verbetering van het milieu, de zekerheid van energievoorziening en een krachtig en effectief buitenlands beleid.

Steun voor Europa, maar wel met een kritisch oog: dát is een houding die naadloos past in het huidige beleid van de regering. De EU is goed en belangrijk, maar we moeten wel de grenzen van integratie in het oog houden en onze belangen beschermen. Geen eurosceptisch, maar eurokritisch denken. Dat mag geen zaak van de regering alleen zijn: het ownership van Europa moet ook breed in de samenleving worden gedeeld.

De regering bewandelt daarom meer paden tegelijk om de legitimiteit van het Europese integratieproces te vergroten en het draagvlak te verstevigen. Met in onze vestzak het kompas van de bestaande verdragen en in de broekzak het miljard dat we als korting op onze jaarlijkse bijdrage aan de EU hebben bedongen.

Allereerst werken de Commissie en de lidstaten – Nederland incluis – hard aan het zichtbaar maken van het ‘concrete Europa’. De EU moet resultaten boeken waar de burger behoefte aan heeft. Denk daarbij aan groei en werkgelegenheid, veiligheid, energie en de rol van Europa in de wereld. De Europese economie draait weer goed; in een globaliserende wereld moeten we die groei verzekeren.

Daarnaast is het van belang dat over de uitbreiding het komende jaar een strategisch debat wordt gevoerd in Nederland en in Europa. Het gaat daarbij niet alleen om de criteria of de principes, maar ook over het opnamevermogen van de Unie. Na de geslaagde uitbreiding van 2004 staan andere landen intussen in de wachtrij: Roemenië en Bulgarije, Kroatië en Turkije – maar ook andere Balkanlanden. De EU moet in staat zijn hen, als de tijd daar is, goed in haar midden op te nemen.

Ook moet het kennisniveau en de betrokkenheid in Nederland bij het Europese integratieproces omhoog, zo kwam uit het onderzoek naar voren. Daarom vernieuwt de regering de Europacommunicatie, vergroot ze het Europafonds voor particulier initiatief aanzienlijk en verbetert ze het onderwijs over de EU. Nederland wil dat nationale parlementen beter betrokken worden bij Europese besluitvormingsprocessen, om zo het Europadebat te politiseren. De civil society is ook actief. Politieke partijen vernieuwen hun Europavisie en deze krant organiseert met de site We the people een internetdebat over de toekomst van Europa.

Over de taken en de grenzen kun je niet met elkaar in debat zonder het ook over de ‘bouten en de moeren’ van Europa te hebben. We moeten en we willen verder met Europa, daarover zijn politici en burgers het met elkaar eens. Dan komen ook institutionele vragen aan bod. Voortgang op basis van bestaande verdragen is mogelijk, concludeerden mijn collega’s en ik het afgelopen weekeinde in Wenen. Maar een verdragswijziging moeten we, op termijn, niet uitsluiten. De ijkdatum daarvoor is 2009: het jaar van een nieuw Europees Parlement en Commissie, alsmede van de herziening van de begroting. Tijdens de verlengde bezinningsperiode zullen we verder moeten nadenken over de contouren van de inzet van Nederland voor een eventueel nieuw verdrag. Zodat we, als het institutionele debat na 2007 weer van start gaat, weten welke belangen en voorkeuren onze inzet moeten bepalen.

Staat Nederland aan de zijlijn in Europa? Dolen we zonder kompas rond in het laagland? Geenszins. Deze regering zet het debat met de burger voort en werkt aan verbetering van de prestaties van de EU. Voor die lijn krijgen we steeds meer steun van onze Europese partners. Het nee kan en mag geen belemmering zijn om niet vooruit te kijken. De toekomst van Nederland ligt immers nog steeds vast verankerd in Europa.

Bernard Bot is minister van Buitenlandse Zaken.

www.nrc.nl/opinie:column Knapen; link naar ‘We the people’