Meer water, meer warmte en meer wind

Nederland wordt droger in de zomer en natter in de winter.

En de wind kan de gevolgen van het broeikaseffect nog versterken.

Zes jaar geleden maakte het meteorologisch instituut KNMI voor het eerst scenario’s voor de klimaatverandering in Nederland. Die scenario’s hadden betrekking op het jaar 2100. Het zou in Nederland in honderd jaar tijd 1 tot 6 graden Celsius warmer worden. De gemiddelde winterneerslag zou 6 tot 25 procent stijgen. En de zeespiegel zou met 20 tot 110 centimeter stijgen. De scenario’s hadden nog veel tekortkomingen, erkent het KNMI, maar ze waren betrouwbaar genoeg om er bijvoorbeeld het waterbeleid voor de komende eeuw op te baseren.

Nu liggen er nieuwe scenario’s. Die verschillen niet enorm van de vorige verwachtingen. „Maar ze zijn wel beter onderbouwd”, zegt KNMI-klimatoloog Albert Klein Tank, projectleider van de klimaatscenario’s. „Deze scenario’s zijn niet meer alleen gebaseerd op redeneringen, maar ook op berekeningen en op Nederlandse meetreeksen uit het verleden. Zes jaar geleden durfden we minder details te gebruiken uit de klimaatmodellen, waarin computers berekeningen voor de lange termijn maken. Inmiddels zijn veel klimaatmodellen sterk verbeterd. Ook de resolutie van die modellen is groter. We kunnen gedetailleerder de verwachtingen voor Nederland maken.”

Bovendien, stelt het KNMI, zijn de eigen uitkomsten getoetst aan die van andere landen. „Met name Engeland en Duitsland hebben de neiging om hun eigen klimaatmodellen als standaard te gebruiken en deze niet verder te vergelijken. Wij hebben dat wel gedaan.”

Het KNMI heeft nu scenario’s gemaakt die betrekking hebben op het jaar 2050. Dit op verzoek van instellingen en overheden die hun beleid willen afstemmen op de verwachte klimaatverandering. Wie weet dat over vijftig jaar de zomers droger en warmer zullen zijn dan in het ijkjaar 1990, kan nu spaarbekkens aanleggen, of investeringen doen in het toerisme.

In alle scenario’s zet de opwarming van Nederland door; zachte winters en warme zomers komen vaker voor. De winters worden gemiddeld natter en ook de extreme neerslaghoeveelheden nemen toe. De zomers kunnen fors droger worden, vergelijkbaar met die in 2003, hoewel de hevigheid van extreme zomerse buien zal toenemen. Het KNMI voorspelt dat er water op de straten zal staan.

Er treden vermoedelijk ook veranderingen in de wind op; meer westenwind in de winter en meer oostenwind in de zomer. En de zeespiegel blijft stijgen.

Het KNMI heeft vier scenario’s gemaakt. Er is een ‘gematigd’ scenario waarin de temperatuur wereldwijd slechts 1 graad stijgt. Er is een ‘warm’ scenario waarin het over een kleine vijftig jaar mondiaal 2 graden warmer zal zijn geworden. Dit alles als gevolg van beïnvloeding door de mens, met name de uitstoot van broeikasgassen. Voor beide scenario’s is een tweede scenario gemaakt dat rekening houdt met een verandering van luchtstromingen in West-Europa. Albert Klein Tank: „In het algemeen kun je zeggen dat door de klimaatverandering het verschil in temperatuur tussen de polen en de evenaar iets kleiner wordt. Daardoor treedt er ook verandering op in de luchtstromingen. De meeste klimaatmodellen geven aan dat in Nederland de wind in de zomer vaker uit het oosten zal komen, en in de winter uit het westen. Dat is cruciaal voor Nederland.”

De verschillen in de scenario’s zijn soms groot. Zo stijgt in het ‘warme’ scenario de gemiddelde hoeveelheid neerslag in de winter met 7 procent ten opzichte van 1990, maar als rekening wordt gehouden met meer westenwind, dan stijgt deze hoeveelheid met 14 procent.

In de zomer daalt in het warme scenario de gemiddelde hoeveelheid regen met liefst 19 procent, maar als de oostenwind niet sterk toeneemt, dan neemt de hoeveelheid neerslag juist toe, met 6 procent.

Dat het KNMI niet één maar vier scenario’s heeft gemaakt, heeft alles te maken met de wisselende uitkomsten van modelberekeningen, vooral voor zo’n relatief klein gebied als West-Europa. „Dit hangt samen met met onzekerheid over de toekomstige bevolkingsgroei en de economische, technologische en sociale ontwikkelingen, en de daarmee samenhangende uitstoot van broeikasgassen en stofdeeltjes”, zo schrijft het KNMI.

„Daarnaast begrijpen we de complexe processen in het klimaatsysteem nog maar ten dele. Zo is de invloed van waterdamp, wolken, sneeuw en ijs op de stralingshuishouding en de temperatuur nog niet goed gekwantificeerd.”

De scenario’s zijn „stuk voor stuk aannemelijk”, zo heet het. „Met de huidige kennis is echter niet aan te geven welk scenario het meest waarschijnlijk is.”

    • Arjen Schreuder