‘Heel veel problemen en te weinig geld’

Scholen in de grote steden kampen door taalbarrières en culturele verschillen met een stortvloed aan problemen. De oplossingen kosten veel geld.

Voor schoolbestuurder Wim Littooy is de analogie met de rellen van vorig jaar in de voorsteden van Parijs niet vergezocht. De situatie met de jeugd in zijn stad Rotterdam „gaat snel die kant op”. En Hans Dankaart, secretaris van het Overleg van Schoolbesturen in het Voortgezet Onderwijs in Amsterdam, zegt over zijn stad: „We zitten op een hellend vlak.”

Hoge schooluitval, jeugdcriminaliteit, overlast van hangjongeren en een lage doorstroom van school naar de arbeidsmarkt zijn de voornaamste problemen in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag. „Als we nu niks doen, gaat het mis”, zegt Dankaart.

De schoolbestuurders uit de vier grote steden, verenigd in het Onderwijsplatform G4, hebben het gevoel dat de landelijke politiek te weinig oog heeft voor hun problemen. Daarom hebben ze onlangs een manifest aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer, waarin ze een vurig pleidooi houden voor forse investeringen in het primair en voortgezet onderwijs. Het gaat om bedragen tussen de 50 en 120 miljoen euro extra per jaar per stad. Littooy: „Een school in Noord-Groningen krijgt grosso modo evenveel als een school in Rotterdam-Zuid, terwijl de problemen in de grote steden vele malen ernstiger zijn.”

Het manifest gaat in op de culturele problemen die volgens het platform eigen zijn aan de urban culture in de grote steden. De verschillen tussen de cultuur thuis, op straat en op school zijn vaak zo groot, dat jongeren gedesoriënteerd raken en „het zicht op de sociale kaart van Nederland volledig kwijtraken”, zegt Littooy.

Veel Turkse, Marokkaanse, Kaapverdische en Surinaamse jongeren spreken thuis hun moedertaal en lopen zo een taal- en leerachterstand op. Littooy: „Op een grote groep jongeren hebben we nauwelijks zicht. Een leerling die zich ziek meldt, is bijna niet te controleren. Overleg met ouders moet via de leerling zelf. U kunt zich voorstellen hoe dat gaat.”

Op scholen zelf is de kloof ook moeilijk te overbruggen: ongelijkheid tussen man en vrouw, eerwraak, vetes tussen bepaalde etnische groepen – op Randstad-scholen is het aan de orde van de dag, aldus Littooy. „Het is niet uit te leggen dat er geregeld na school hele groepen jongeren tegenover elkaar staan om een ruzie uit te vechten, omdat een jongen uit de ene groep verkering wil met het zusje van een ander. Dat gebeurt.”

Schooluitval is ook een bron van zorg. „Bijna de helft van de mbo’ers maakt de opleiding niet af. Meer dan een derde belandt in de lichte en soms zwaardere criminaliteit”, zucht Littooy. „Niet dat ze onwelwillend zijn, ze kunnen hun weg gewoon niet vinden.”

Het Onderwijsforum G4 pleit voor ‘brede’ scholen met lesuren van acht uur ’s ochtends tot vijf uur ’s middags en meer naschoolse opvang. Er moet ook meer ruimte worden gecreëerd voor culturele en sportieve activiteiten. Littooy: „Dan geef je die jongens meer verwantschap met de cultuur op school in plaats van met die op straat of thuis.”

Maar de belangrijkste taak is de leerlingen helpen aan een vaste arbeidsplaats. „Dat kan je doen door het lesprogramma af te stemmen op de specifieke kwaliteiten van een leerling”, zegt Littooy. „Het tijdperk van ‘iedereen dezelfde les en hetzelfde papiertje’ ligt ver achter ons. Het gaat nu om het stimuleren en helpen ontplooien van ieder individu.”