De zorg voor mensen

M.A. van der Meer (Hengelo, O., 18 mei 1936) woont in Amsterdam. Foto Roger Cremers Nederland, Amsterdam, 24-05-2006 Marie-Anne (Marian) van der Meer PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Marian van der meer is 70 en ze vergadert momenteel zo’n twintig uur in de week – met de nodige voorbereidingen en nazorg maakt dat een werkweek van pakweg dertig uur. „Dat is te weinig”, zegt ze. „Daar kan best weer wat bij.”

„Ja mooi”, zeg ik, „laten we er een open sollicitatie van maken. Zeg het maar, wat zoek je?”

„O, dat kan van alles zijn. Ik heb nu net een woningbouwcorporatie erbij gekregen. Ontzettend leuk, nooit gedaan, dan moet ik me inwerken. Maar ik zit vooral in de zorgsector. Justitieachtige dingen heb ik ook veel gedaan. Non-profit, dat is het beste verzamelwoord.”

Desgewenst verzendt ze een cv dat inmiddels twee A4’tjes beslaat. Op elke regel een functie die ze heeft of heeft gehad. De oudste: secretaris Humanistische Jeugd Beweging (1949-1959).

„Of eigenlijk...”, valt haar nu in. „Ik zat bij de gymnastiekvereniging HGV. Zo stijf als een plank, een geweldig minderwaardigheidscomplex. De leiding vergaderde nu en dan met een groepje kinderen en daarvan maakte ik dan aantekeningen.”

Ze zegt: „Ik ben een sjouwertje. Als er een klus te doen is, denk ik al gauw: iemand moet het doen, waarom ik niet? Ik hou van hard werken. Ik word energieker en efficiënter naarmate ik het drukker heb.”

Ze was de oudste van drie kinderen. Ze waren zo’n beetje het armste gezin in een straat met textiel- en metaalarbeiders. Haar vader was onderwijzer. Hij gaf les aan vijf, zes scholen en in de avonduren steno- en typelessen aan huis. Dus dat, steno en typen, kon ze al op haar achtste, en op haar veertiende begon ze lessen van haar vader over te nemen als hij ziek was.

„Ik was”, zegt ze, „een vroegwijs kind, ik zat altijd tussen de volwassenen.” Over politiek werd thuis niet veel gesproken, over humanisme wel. Hoe je het leven en de wereld kon bekijken zonder Lieve Heer. „Sprekers voor de zondagochtendbijeenkomsten, altijd mannen trouwens, logeerden vaak bij ons. Leuk om dat mee te maken.”

Ze deed hbs-b. Ze ging in een boek- en kantoorboekhandel werken. Ze werd hoofd van de bibliotheek van de Wiardi Beckman Stichting. Ze zette voor de NVSH een wetenschappelijk bureau op poten. Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming.

Tsja.

„Toen ik in 1963 ging trouwen”, zegt ze, „kreeg ik een man die vond dat ik geen eigen inkomen hoefde te hebben. Toen heb ik me op het actiewezen en de politiek gestort.”

Ze kwam in de Provinciale Staten van Noord-Holland. Dat waren, vergadertechnisch gesproken, de hoogtijdagen.

„Toen had ik zes, zeven vergaderingen per dag. Nou, laat ik niet overdrijven, het waren er ook wel eens vijf.”

Ze deed kortom steeds meer bestuurswerk. „En toen ik in 1980 ging scheiden”, zegt ze, „toen ik weer zelf mijn brood moest verdienen, toen kón ik alleen nog maar besturen – toen heb ik er mijn beroep van gemaakt.”

Van 1983 tot 1995 zat ze in de Eerste Kamer. „Dat werk op de achtergrond”, zegt ze, „die coöperatieve sfeer, binnen en ook tússen de partijen, mensen die niet zo nodig de blits hoefden te maken – heel hard werken en níét in de krant komen, dat is leuk.”

Stichtingsbesturen, advies- of klachtencommissies, raden van toezicht en allerlei werkgroepen, ze werd er lid, penningmeester, secretaris of voorzitter van.

„Ik heb”, zeg ik, „vergaderen eens omschreven als een manier om mensen uit de weg te gaan.”

„Voor mij”, zegt zij, „is het eerder een manier om mensen te ontmoeten.”

„Maar in sommige kringen wordt vergaderen echt als een abjecte bezigheid beschouwd.”

„Ja. Ja. Maar wat dóé je nou eigenlijk? Je gaat bij elkaar zitten om plannen te maken, om dingen af te spreken, om te kijken of gemaakte afspraken worden nagekomen. Wat is daar mis mee?”

„Is vergaderen in de loop der jaren anders geworden?”

„Vergaderen is zakelijker geworden, net als de wereld eromheen zakelijker is geworden. Maar zakelijk hoeft nog niet commercieel te zijn. Bij commercieel heb je het over een ander doel.”

„En er wordt niet meer zoveel gerookt?”

„Er wordt niet meer gerookt”, bevestigt ze. „En het niveau is omhooggegaan. Je vergadert niet meer met goedwillende notabelen die het wel interessant vinden om hun naam bij een bestuur te zien staan.”

„Maar het komt nog steeds voor dat je de enige vrouw in het gezelschap bent?”

„Te vaak”, zegt ze. „Je wordt dan als vrouw altijd wel een beetje in de watten gelegd... maar nee, ik ben liever niet de enige.”

„Vergaderen”, vraag ik, „vrouwen anders dan mannen?”

„Misschien, misschien...” En dan: „Vrouwen vinden het niet nodig om nog eens te zeggen wat al door een ander is gezegd. Mannen doen dat wel, en dan met net iets meer nadruk – en de notulisten trappen er altijd in!”

„Vergaderen om het vergaderen”, zegt ze afrondend, „dat komt eigenlijk niet voor. Je wordt ook niet betaald voor het vergaderen, je wordt betaald voor het geheel van verantwoordelijkheden dat je draagt. Ik zit in de raad van commissarissen van Evean Zorg; verpleeghuizen, verzorgingshuizen, kraamzorg, thuiszorg, uitgaande van de Zaanstreek en Waterland, inmiddels uitgebreid over grote delen van het Noorden, vier fusies in zeven jaar – dan praat je over een begroting van een paar honderd miljoen én over de kwaliteit van de zorg voor mensen die zorg nodig hebben.”

De gezondheidszorg dus, of kwesties betreffende de krijgsmacht, of Schiphol, of vreemdelingenzaken, of een uitvoering van de Matthäus-Passion – er is geen journaal of er passeert wel iets waarmee zij te maken heeft of te maken heeft gehad.

„Dat betekent niet”, zegt ze, „dat je meteen je mening klaar hebt, wel dat je meteen je oren spitst.”

Koos van Zomeren