Armeense genocide ook in Enschede taboe

Het lukt Turken en Assyriërs niet om samen over de omstreden genocide van 1915 te praten. Nederlandse hulp is nodig om „een taboe” te doorbreken.

Enschede, 31 mei. - De studieavond moet een dialoog tussen Assyriërs (christenen uit Zuidoost-Turkije) en islamitische Turken op gang brengen over de in Turkije omstreden volkerenmoord in 1915. Maar gelet op de uitgebreide veiligheidsmaatregelen wordt er rekening gehouden met meer. Politieagenten bij de ingang van de Enschedese synagoge, een legitimatieplicht en een film- en fotografeerverbod onderstrepen dat de volkerenmoord in het toenmalige Ottomaanse Rijk nog altijd een beladen onderwerp is. „De afgelopen dagen hebben mijn kinderen, mijn familieleden en ik gemerkt dat wat zich 91 jaar geleden 3.500 kilometer verder heeft afgespeeld, nog altijd een rol speelt”, zegt genodigde Zeki Arslan.

Arslan is voorzitter van de Samenwerkende Turkse organisaties in Overijssel. Hij is in aanloop naar de studieavond gisteren bedreigd. Openlijk praten over de moord op meer dan een miljoen Armeniërs, Assyriërs en Grieken wordt door nationalistische Turken niet op prijs gesteld. In navolging van de Turkse regering ontkennen zij dat er sprake is van genocide, zoals de slachtoffers beweren. In Dünya, een in Nederland uitgegeven Turkse krant, werd Arslan uitgemaakt voor verrader en ‘theoreticus van een terreurorganisatie’. Arslan wil niets zeggen over de bedreigingen, behalve dat hij het betreurt dat iemand die zich zijn hele leven heeft ingezet voor minderheden, „juist uit die hoek” wordt aangevallen. De bedreigingen waren reden om de studieavond eind april op het laatste moment af te blazen.

Een maand later komen Assyriërs en Turken alsnog bijeen om voor het eerst in Nederland samen over dit onderwerp te praten. Niet in de sjoel maar in de kleine zaal van de synagoge omdat dan het aantal aanwezigen en de kans op escalatie kleiner is. „Het blijft wel een nationaal monument”, zegt een woordvoerder van de synagoge.

Van enige spanning is tijdens de studieavond met zo’n 125 aanwezigen weinig te merken. Arslan zegt dat het „lastig en moeilijk” voor hem is maar dat hij gekomen is omdat „ik de last die ik meedraag niet onbesproken over wil dragen aan mijn kinderen.” In zijn op persoonlijke titel uitgesproken bijdrage, die vanwege de bedreigingen „totaal anders” is dan hij aanvankelijk voor ogen had, pleit hij voor de totstandkoming van een dialoog. Maar die kan alleen op gang komen als Assyriërs niet bij voorbaat erkenning van de genocide eisen. „Als dat de insteek is, wordt er een carrousel van weerstand georganiseerd en blokkeert het gesprek.” Turkije vreest als gevolg van erkenning financiële schade te lijden en grondgebeid te verliezen. Maar de Assyrïers zijn meer uit op morele dan materiële genoegdoening, zegt Arslans tegenstrever Matay Beth Arsan. Hij vertegenwoordigt de ongeveer 20.000 Assyriërs die in Nederland leven. Hij vindt dat erkenning van de Turkse regering een voorwaarde moet zijn voor toetreding van Turkije tot de Europese Unie. „We kunnen over van alles praten, maar één onderwerp is taboe; de genocide van 1915”, zegt Beth Arsan.

Het initiatiefwetsvoorstel waarmee de ChristenUnie morgen komt om het ontkennen, bagatelliseren, goedkeuren of rechtvaardigen van de genocide in Nederland strafbaar te stellen, wordt door de Assyriërs toegejuicht. „Wat wil men hiermee bereiken”, vraagt Zeki Arslan zich af. „Iets strafbaar stellen waarover geen discussie is gevoerd, levert niets op.” Arslan doet een beroep op de Nederlandse samenleving om te helpen het taboe te doorbreken. Nederland is volgens hem „mede-aandeelhouder van een pijnlijke geschiedenis”. Turken en Assyriërs leven nu immers ook in Nederland. Nietsdoen levert spanningen en het gevaar van ontwrichting op in de Turkse gemenschap, voorspelt Arslan. In Hengelo waren er de afgelopen jaren spanningen tussen jongeren uit beide gemeenschappen maar deze werden door de burgemeester afgedaan als pubergedrag, vergelijkbaar met de rivaliteit tussen stad en dorp. Arslan: „Dit onderwerp is jarenlang door de politiek en door welzijnsorganisaties weggeparkeerd als een probleem van de Turkse gemeenschap. Er zijn weinig pogingen gedaan om een dialoog tot stand te brengen. Heel bizar.”