Tintin en Elyssee

Samen met Tintin heeft Elyssee het reisgeld opgemaakt aan drank en vrouwen. Maar waarom vindt hij de vrouw van mister Nkoe dan gevaarlijk?

In Hôtel Le Lido in Douala staat onze gids Silas met zijn reisstrijkijzertje zijn broek te persen. Het is onze laatste dag in Kameroen; morgen gaan we naar huis. Straks hebben we nog een afscheidsdiner, dat ons aangeboden wordt door de FITA, de First International Travel Agency. Toen Silas onder de douche stond, heb ik onder protest van Gerarda in zijn onafscheidelijke aktetas gesnuffeld. Dacht ik het niet: Wachttorens! Al die tijd heeft hij het geheim gehouden. Als ik hem uit de tent probeer te lokken, is het enige wat hij loslaat, dat hij niet mag liegen van zijn geloof. Dat komt goed uit. Ik wil weten hoe lang de FITA bestaat. Hij aarzelt: „De FITA is opgericht toen u en mama hierheen kwamen.” „Dus wij zijn de eerste klanten?” „Inderdaad papa, en waarschijnlijk ook de laatste, want er heeft zich niemand meer gemeld.” Ik weet genoeg.

Elyssee, onze chauffeur, klopt op de deur. Gerarda vraagt hem of hij ook niet even lekker wil douchen. Hij peinst er niet over. Elyssee stinkt een uur in de wind. Hij wast zich al dagen niet, uit protest, omdat hij geen honkbalpetje kreeg en Silas wel, terwijl Silas maar een Tikar is en hij een Ewondo, nota bene de machtigste stam van heel Kameroen. Mokkend gaat hij naar beneden.

Het klikt niet met Elyssee. Al vanaf de eerste dag is het mis. Toen we hem mee uit eten namen, griste hij de fooi van het schoteltje. Lachen natuurlijk. Maar Elyssee werd boos. Hij dacht dat we hem uitlachten. In het noorden van Kameroen joeg hij samen met de gids daar, Tintin, het geld erdoor dat bestemd was voor onze rondreis. Het ging op aan drank en vrouwen. Tintin kon zijn biezen pakken, maar Elyssee kwam er genadig vanaf, omdat mister Nkoe, de baas van de FITA, zelf ook een Ewondo is. Elyssee, die geen Engels spreekt, voelt zich buitengesloten, met name in het voormalige Britse deel van het land. Ook is hij de zedenpreken, waarmee Silas hem regelmatig bestookt, spuugzat.

Toch hebben we niet met hém, maar met Silas te doen. Zodra we vertrokken zijn, staat onze gids, die de kost voor de hele familie moet verdienen, op straat – met de nodige schulden wegens het smeergeld dat hij heeft moeten betalen om toegelaten te worden tot de universiteit en om af te studeren.

Silas zit in zak en as. Vannacht moet hij met Ewondo’s in een huis zonder licht slapen, hetzelfde huis, waaruit laatst twee leden van zijn stam spoorloos verdwenen. „De vrouw van mister Nkoe, die is pas écht gevaarlijk”, vertrouwt hij ons toe. „Vertel”, dring ik aan, maar hij richt zich tot Gerarda: „Ik ben een intellectueel, ik ben geen held, ik ben bang, mama.” Hij kijkt haar ontredderd aan.

Op weg naar het afscheidsdiner gaat Elyssee tanken. Zonder kijken schiet hij de weg weer op. Achter ons wordt geremd en woedend geclaxonneerd. Volgens Silas is Elyssee gefrustreerd. Die reageert furieus: „Frustré hein, oui je suis frustré!”

We kopen een fles whisky voor mister Nkoe. Sterke drank is overal te koop, maar we moeten half Douala af voor een cadeaupapiertje en een strikje.

Het diner vindt plaats in de feestelijke verlichte tuin van een restaurant. Er is eten en drinken in overvloed. Mister Nkoe is een gul gastheer, maar zijn zaken gaan vóór. Hij is aan één stuk door aan het bellen. Iedereen zwijgt. Pas als de baas stil valt, mag er gepraat worden. Silas, die aan het eind van de lange tafel zit, krijgt geen hap door zijn keel. Als gasten van de FITA hebben wij ereplaatsen. Gerarda zit tegenover mij naast mister Nkoe. Ik zit naast zijn vrouw. Ik maak haar een complimentje. Ze spint als een poes. Haar warme hand vindt onder tafel mijn dijbeen. Silas heeft gelijk. Mevrouw Nkoe is gevaarlijk.

    • Otto Holzhaus