Tien jaar topinkomens

Verontwaardiging over de salarissen van bestuurders bij de overheid, overheidsinstellingen en de semi-overheid is een nieuw Nederlands ritueel geworden. Tien jaar geleden schreef de toenmalige PvdA-fractievoorzitter Wallage: „De salarissen van topfunctionarissen bij semi-overheidsorganen moeten ter discussie worden gesteld. Het wordt hoog tijd om eens zorgvuldig te kijken naar de hoogte van de salarissen van mensen in deze functies. Hun taak is zwaar, maar ook relatief beschut. Ik zie dan ook geen reden waarom deze salarissen hoger zouden moeten zijn dat dat van de minister-president.” Vandaag ondervroeg de Tweede Kamer het kabinet voor de zoveelste maal over de hoogte van de topinkomens van de bestuurders, beter bekend als ‘graaiers’ en ‘zakkenvullers’. Aanleiding was dit keer een publicatie in het weekblad Intermediair waarin topinkomens bij de overheid en semi-overheidsorganen werden berekend.

Tien jaar discussie hierover laat zien dat geen enkele grote politieke partij zich kan onttrekken aan het nu klinkende verwijt dat er weinig vooruitgang is geboekt. Dat is niet verwonderlijk. Hoezeer ook het parlement en het kabinet hun ongenoegen duidelijk maken, en hoe standvastig ook het voornemen om paal en perk te stellen: afgezien van het overheidsapparaat zelf is de salariëring van de top van de instellingen uiteindelijk het domein van toezichthouders en direct betrokkenen. Dat zijn de betrokken commissarissen en aandeelhouders.

Openbaarmaking van inkomens, zoals die inmiddels verplicht is gesteld, zal weinig helpen om matiging teweeg te brengen. Nadat de topinkomens in het bedrijfsleven openbaar werden, volgde daar juist een inhaalslag van managers die ontdekten dat zij waren achtergebleven. Het dwingend definiëren van een salarisplafond op het niveau van de bezoldiging van de minister-president, waar D66 nu een initiatiefwet voor wil indienen, kan stuiten op juridische bezwaren. En enige achterdocht over de vraag of dit initiatief alleen maar wordt aangekondigd of ook daadwerkelijk uitgevoerd, is na alle retoriek wel op zijn plaats.

Het weekblad FemBusiness hield twee jaar geleden een opiniepeiling met de vraag wie er meer zou moeten verdienen: Philips-topman Kleisterlee, topvoetballer Van Nistelrooy of premier Balkenende. Het publiek koos massaal voor de premier. Dat onderstreept het van oudsher egalitaire karakter van Nederland, dat sinds de jaren tachtig botst met de cultuur van de vrije markt. Winnaars worden daarbij extra, en soms extreem, beloond. Dat is te zien in de sport, bij de massamedia, in het bedrijfsleven – en wordt nu ook gekopieerd in de semi-publieke sector. De vraag is of dat laatste terecht is. Een markt, en dus ook een markt in talent, dient zoveel mogelijk aan zichzelf te worden overgelaten. Maar is er bij de overheid en semi-overheid sprake van een functionerende markt?

Een manager kan moeilijk verantwoordelijk worden gehouden voor de hoogte van zijn of haar inkomen. Het zijn de toezichthouders, die er telkens hun fiat aan geven, die moeten worden aangesproken. Nadat zij nog eens goed bij zichzelf te rade zijn gegaan over hun eigen ethiek.