Tekenaar die de politiek verfoeide

Het bijzondere van Frits Müller is dat hij zich steeds in zijn stijl vernieuwde in tegenstelling tot collega politieke cartoonisten, betoogt Koos van Weringh.

In het bestek van een uur werd ik gisteren vijf keer gebeld met de mededeling dat Frits Müller gestorven is. Op 12 juni zou hij 74 jaar geworden zijn. Opland is ook omstreeks zijn 74e verjaardag gestorven, was mijn eerste gedachte. Het overlijden van de één heeft niets met dat van de ander te maken, maar een menselijk geheugen zit nu eenmaal vreemd in elkaar.

Frits Müller was decennialang een toonaangevend tekenaar over de politiek in Nederland en daarbuiten. En dat terwijl hij politiek verfoeide. In het in 1982 verschenen boek Oud Nieuws, een selectie van zijn tot dan gepubliceerde prenten, liet hij als als motto een uitspraak van E. E. Cummings opnemen: „A politician is an arse upon which everybody has sat except a man”.

Zijn politieke tekencarrière begon hij in het midden van de jaren zestig in De Nieuwe Linie, een rooms- katholiek weekblad dat zich destijds in de progressieve overgang bevond. De pater provinciaal van de Jezuïeten van de orde in Nederland liet de hoofdredactie weten dat de redacteuren J. Arts SJ en N. van Hees SJ zich uit de redactie van het blad zouden moeten terugtrekken, omdat het blad te vooruitstrevend was. Müller tekende daarop een schrijfmachine waar de letters S en J uit verwijderd waren. Een fantastische vondst.

Het Algemeen Handelsblad was zijn volgende opdrachtgever, tot die krant in de herfst van 1970 met de NRC fuseerde. Bij de fusie verdween Müller en kwam bij Het Vrije Volk terecht, dat van Amsterdam naar Rotterdam was verhuisd. Als Amsterdammer voelde hij zich daar niet op zijn gemak, het contact met hoofdredacteur Herman Wigbold verliep stroef.

Frits Müller was blij dat hij in 1973 bij de Haagse Post aan de slag kon. In 1980 begon hij ook voor NRC Handelsblad te tekenen – zijn laatste tekening dateert van februari van dit jaar. HP/De Tijd zei in 2000 de medewerking met hem op, wat bij hem een bittere nasmaak heeft achtergelaten. „Willem (Bernard Holtrop, red.) is maar negen jaar jonger dan ik”, riep hij mij een keer in de telefoon toe.

Het bijzondere van Müller is dat hij zich steeds in zijn stijl vernieuwde. Door de jaren heen is een Opland een Opland en een Behrendt een Behrendt, maar dat kan van Frits Müller niet worden gezegd. In het begin was hij beïnvloed door Eppo Doeve. „Eppo kon alles”, zei hij vol bewondering. Met de strekking van Doeve’s prenten in Elsevier was hij het echter niet altijd eens. Dat betekent niet dat Müller een uitgesproken politieke voorkeur had: die had hij niet.

In een gesprek dat deze krant had met Fritz Behrendt, Peter van Straaten, Siegfried Woldhek en Müller zei de laatste: „Mijn sympathie ligt bij de mensen die het aan de linkerkant trachten te redden, maar mijn hart bloedt als ik zie hoe het ook daar allemaal toegaat. Als je die mensen ziet die erin zitten, al die mafketels” (23 mei 1981). Den Uyl en Kok komen er in feite niet beter af dan Van Agt en Lubbers. Waarbij moet worden aangetekend dat hij voor Van Agt diepe verachting koesterde; geen Nederlandse politicus heeft hij negatiever afgebeeld.

Omdat al het nieuws bij hem bij voorbaat oud was", had hij geen grote verwachtingen van wat hij met zijn tekeningen zou kunnen bereiken. In het zojuist genoemde gesprek merkte hij op dat een politiek tekenaar op z’n best de frustratie verwoordt „van mensen die een krant lezen en er verder ook niets aan kunnen doen”.

Koos van Weringh is oud-hoogleraar criminologie en oprichter van het Criminologisch Instituut Bonger van de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef een aantal boeken over Nederlandse politieke cartoonisten.

    • Koos van Weringh