Rechtse opiniemakers vallen in eigen zwaard

Wat is de nationale identiteit van een land waarin de ene helft zich voor de andere schaamt? Die is onzeker en discutabel. Juist de minister die bij haar presentatie als kandidaat-lijsttrekker voor de VVD beloofde dat we met zijn allen weer trots zouden kunnen zijn op Nederland, heeft ons land in zichzelf verdeeld en buiten de grenzen grote imagoschade berokkend.

Het gezonde volksgevoel dat zich keerde tegen Hirsi Ali en dat door de zelfverklaarde populist Verdonk wordt bespeeld, komt voort uit een kleinzielig nationalisme dat volgens de andere, betere helft van Nederland helemaal niet bij Nederland past. Het on-Nederlandse optreden van wereldburger Hirsi Ali wekt bij de eerste groep wantrouwen en rancune op, terwijl de andere groep daarin juist een belichaming ziet van de kosmopolitische geest die Nederland altijd heeft gekenmerkt, maar die sinds 2002 in snel tempo heeft moeten wijken voor xenofobie en provincialisme.

Verdonks bureaucratische rechtlijnigheid wordt gevoed door een eng-Hollands onderbuikgevoel dat een scherp onderscheid maakt tussen volksvreemd en volkseigen. Het Nederlanderschap is de ‘hoofdprijs’: een duur bezit waar niet mee mag worden gesjoemeld. De formalistische redenering dat bij identiteitsfraude helemaal geen naturalisatie heeft plaatsgevonden, en dat Ayaan Hirsi Ali dus nooit Nederlandse is geworden, verraadt een alles-of-niets-mentaliteit die niets wil weten van gemengde loyaliteiten en meervoudige identiteiten. Een dubbele nationaliteit is iets tegenstrijdigs, en moet eigenlijk worden verboden.

Het nieuwe van de affaire-Hirsi Ali is dat een breuk is opgetreden tussen de kosmopolitische en de nationalistische tak van de liberaal-conservatieve, fortuynistische beweging. De eerste wordt gevormd door Hirsi Ali zelf en haar fanclub van liberale atheïsten en Verlichtingsfundamentalisten. De tweede bestaat uit Rita Verdonk, Hilbrand Nawijn, de Rotterdamse Leefbaren, Michiel Smit en hun aanhang van Nederlandse volksnationalisten. Verder zijn zij het immers over alles eens. Hirsi Ali is nog steeds ‘gek op Rita’, terwijl Rita op haar beurt nog steeds houdt van Ayaan. Ook Nawijn heeft zich inhoudelijk altijd achter Hirsi Ali geschaard. Allen verdedigen zij met dezelfde morele stelligheid dezelfde westers-liberale idealen tegen dezelfde vijand: de ‘zuivere’ islam, die in wezen onverenigbaar is met de liberale democratie. Wat betreft rechtlijnigheid en onverzoenlijkheid legt Verdonk het op sommige punten zelfs af tegen Hirsi Ali, die minder moeite heeft om de islam te bestempelen als een inherent totalitair en gewelddadig systeem, die de vrijheid van meningsuiting opvat als ‘het recht om te kwetsen’, en die gelooft dat een dergelijke ‘kennismaking met de rede’ de moslims uit hun geestelijke en economische achterlijkheid zal bevrijden.

Maar hun gedeelde idee van een superieure, redelijke, en dus universeel geldige westerse cultuur vertoont een dubbelzinnigheid wanneer het gaat om de grenzen van de cultuurgemeenschap die tegen de ‘cultuurvreemde’ islam moet worden verdedigd. Gaat het hier vooral om de Nederlandse of om de bredere westerse cultuur? Wie is precies de vreemdeling die verdwaald is zeker: de islamiet of de buitenlander als zodanig?

Fortuyn zelf sprong nogal onbekommerd heen en weer tussen het idee van een kosmopolitische westerse beschaving die werd geïnspireerd door de universalistische idealen van de Verlichting en de moderniteit, en dat van een particularistische Nederlandse cultuur die wortelde in nationale historische tradities. Maar per saldo was hij vooral een spruitjesnationalist die een bijna wanhopige liefde koesterde voor zijn ‘moerstaal’, voor de vaderlandse geschiedenis en voor de Nederlandse natie als een soort gezinsvervangend tehuis. Europa was voor hem een ‘zielloos’ ideaal; het ging hem vooral om de versterking van de Nederlandse identiteit en herstel van de nationale soevereiniteit.

Het ‘on-Nederlandse’ van Fortuyn sloeg dan ook meer op zijn optreden als politieke dandy en mediaster dan op zijn culturele profiel als Hollandse eigenheimer. Fortuyn was de enige intellectueel van zijn generatie wiens Engels miserabel slecht was, en die ook daarom op het internationale podium een ‘pleefiguur’ zou hebben geslagen (zoals Bolkestein terecht opmerkte). Ayaan Hirsi Ali, een wereldster die meertalig is opgevoed, vloeiend Engels spreekt en de Time-top honderd van invloedrijkste personen haalde, staat in dit opzicht mijlenver af van de Hollandse bekrompenheid van de meeste fortuynisten.

De vermeende beschavingsoorlog tussen ‘het’ Westen en ‘de’ islam kent dus twee gezichten of varianten. In het brede spectrum van de Nederlandse-Europese-westerse cultuur kan het accent komen te liggen op kosmopolitisme en wereldburgerschap, maar ook op een enghartig provincialisme dat vooral uit is op verdediging van de Nederlandse taal, cultuur en identiteit, en dat burgerschap vooral als nationaal burgerschap opvat.

De poging tot uitburgering van Hirsi Ali is daarom vooral een kaakslag die rechts zichzelf heeft toegebracht. De VVD is in zijn eigen zwaard gevallen. Vandaar de verwarring van columnisten en politici die nu moord en brand roepen over de starheid van Verdonk, maar die haar strenge immigratie- en asielbeleid altijd hebben gesteund. Dat het linkse Zembla insinuerende schandaaljournalistiek bedreef is geen vrijbrief om alles weer op het conto van de ‘linkse kerk’ te schuiven. Het is ook veel te gemakkelijk om te klagen over de bekrompenheid en het conformisme van het Nederlandse volkskarakter, dat elke kop die boven het maaiveld uitsteekt onmiddellijk zou willen afhakken. Dat ‘Nederland niet tegen kritiek kan’ en dus ‘te klein is voor Ayaan’ streelt natuurlijk het ego van haar intellectuele vrienden, die zichzelf kunnen neerzetten als kosmopolitische dissidenten tegenover het benepen provincialisme van een figuur als Verdonk. Maar die verklaring verdoezelt de eigen bijdrage van de rechtse opiniemakers aan een gepolariseerd klimaat dat zich gemakkelijk tegen alle vreemdelingen keert, wat hun naam ook moge zijn.

Dick Pels is voorzitter van de links-liberale denktank Waterland en auteur van ‘Een zwak voor Nederland’ (2005).

    • Dick Pels