Politici hebben hier een aparte status

Iraaks Koerdistan wordt in de VS graag voorgesteld als een democratisch voorbeeld voor de regio. Maar de persvrijheid staat er flink onder druk.

Het moet een nare verrassing zijn geweest voor Omar Fattah, de vice-premier van Iraaks Koerdistan. Op een dag in november pakte hij zijn telefoon op, om te merken dat de lijn was afgesloten wegens achterstallige betalingen. Een dag later werden de verantwoordelijken bij de telefoonmaatschappij ontslagen. Politici hebben nu eenmaal een aparte status in Noord-Irak, dus moet er wat pragmatischer met hun rekeningen worden omgegaan.

De Koerdische krant Hewlati kreeg lucht van het verhaal en schreef dat de vice-premier persoonlijk had toegezien op het ontslag van twee werknemers van het telefoonbedrijf. Het volk smulde. Fattah diende direct een aanklacht in tegen de krant, die al jaren bekend staat als Koerdistans meest kritische blad. Op 2 mei veroordeelde de rechter de oud-hoofdredacteur en zijn opvolger tot zes maanden cel. Uiteindelijk werd de straf omgezet in voorwaardelijk, met een boete voor beide hoofdredacteuren van 50 euro per persoon. Desondanks zit de schrik bij de journalisten er goed in.

„Alles wat we geschreven hadden, klopte. Maar volgens de rechtbank konden we niet waarmaken dat Fattah persoonlijk had toegezien op het ontslag van de twee werknemers”, vertelt Najat Ahmad van Hewlati in het kantoor in Arbil, de officiële hoofdstad van Iraaks Koerdistan. „We hadden immers geen ontslagbrieven, getekend door de vice-premier. We hadden moeten schrijven dat het ministerie van Telecommunicatie hen heeft ontslagen. Maar aan de feiten doet het niets af.”

Om Ahmad heen staan vijf stoffige computers, meer heeft de krant er niet. Maar met een oplage van 18.000 exemplaren per week is Hewlati de grootste krant van Koerdistan. „Volgens mij zelfs de grootste van Irak, wij kunnen onze kranten normaal verspreiden, in de rest van het land gaat dat moeilijker wegens het geweld”, zegt Ahmad.

De Amerikaanse president Bush mag de Koerdische regio in Noord-Irak graag aanhalen als democratisch voorbeeld voor de regio, maar de persvrijheid staat er onder druk. De twee dominante partijen, de Koerdistan Democratische Partij (KDP) van Massoud Barzani, en de Patriottische Unie Koerdistan (PUK) van Jalal Talabani, laten vrijwel geen ruimte aan andere politieke partijen in het gebied. Talabani is momenteel president van Irak, Barzani is president van de drie Koerdische provincies.

„We hebben de afgelopen twee jaar veel meer rechtszaken dan vroeger”, legt redacteur Ahmad uit. De belangrijkste oorzaak daarvan is volgens hem de politieke samensmelting van de twee Koerdische bestuursregio’s die sinds de burgeroorlog (1994-1998) waren verdeeld tussen Talabani’s PUK en Barzani’s KDP. „Er worden deze jaren veel gevoelige beslissingen genomen door de twee grote partijen. Wij proberen daarover te schrijven, maar dat wordt ons niet in dank afgenomen.”

Daarnaast wordt de krant ook tegengewerkt. Een paar weken geleden schreef Hewlati dat de vijfde vrouw van ex-minister van Defensie Hamid Effendi er een papieren baan als onderwijzeres op nahield. „Zoals veel mensen dicht bij de partijbonzen ontving ze een overheidssalaris, maar werkte ze niet”, vertelt Ahmad. Het ministerie van Onderwijs hield het verhaal drie weken tegen, door niet te reageren op vragen van de krant. „Ze weten dat wij dit niet zomaar kunnen publiceren, dus frustreren ze ons werk.”

Ook in Sulaymaniya, het hoofdkwartier van de PUK, loopt op dit moment een rechtszaak, tegen Pegah. Deze vrouwenkrant wordt van smaad beschuldigd door een PUK-lid dat volgens de krant betrokken is bij een discutabele grondaankoop.

Alles verbleekt bij de 30 jaar celstraf die de Koerdische schrijver Kamal Karim Qadir kreeg toen hij vorig jaar terugkeerde uit Oostenrijk, waar hij als vluchteling leefde. Qadir, een bekende tegenstander van het bewind van de Barzani-clan, had in zijn ballingsoord bizarre verhalen geschreven. Een familielid van Barzani had prostituees naar Qadir in Wenen gestuurd om hem in de gaten te houden, zo schreef hij.

Toch keerde Qadir terug naar Koerdistan, maar ‘verdween’ hij na een aantal dagen. „Via via hoorden we dat hij in de gevangenis zat”, vertelt redacteur Ahmad van Hewlati. Uiteindelijk werd de schrijver veroordeeld tot 30 jaar celstraf. Na druk vanuit het buitenland werd de straf teruggebracht tot 18 maanden; in april verleende president Barzani hem gratie. De schrijver woont nu weer in Oostenrijk.

Het zijn heel vervelende verhalen, vindt Falakadin Kakai, minister van Cultuur en Perszaken in Noord-Irak. „Deze gevallen zijn schadelijk geweest voor ons imago”, zegt hij. Kakai is zelf schrijver en journalist en heeft in het verleden ook meermalen voor de rechter gestaan. „Meestal ging het om aanklachten door fundamentalisten die bepaalde tijdschriften ongepast vonden”, zegt de minister. Zelf geeft hij kunst- en literatuurtijdschriften uit, waarin naakte vrouwen niet ontbreken.

In het geval van de telefoonrekening van vice-president Fattah adviseerde hij Hewlati om achter het verhaal te blijven staan. „Ik ben adviseur van de president voor perszaken, en geloof me, hij is ook niet blij met al deze negatieve publiciteit. Maar het zijn uiteindelijk de rechters die de wet uitvoeren”, legt Kakai uit. Daarnaast zijn er ook behoudende politici in Noord-Irak, maar die zullen aan het kortste eind trekken, voorspelt hij.

„Ik ben optimistisch over de toekomst. De overheid zal meer wennen aan een kritische pers, zeker nu de twee partijen samen de regio besturen”, legt de minister uit. „Er komt meer ruimte voor kritiek omdat er compromissen gesloten zullen moeten worden.” In de rest van Irak zijn geen rechtszaken tegen journalisten. „Daar worden ze vermoord”, zegt Kakai.

De minister is bezig met zijn laatste boek. Het gaat over leden van verschillende bevolkingsgroepen die samen in een raket zitten. Plotseling wordt het contact met de aarde verbroken. „Vanaf dat moment moeten ze alles zelf oplossen. Zo is het ook een beetje met de relatie tussen journalisten en politici in Noord-Irak”, zegt Kakai. „Uiteindelijk zitten we toch samen in hetzelfde schuitje.”

    • Thomas Erdbrink