In de VS is de goudkoorts terug – bij oliezoekers

De goudzoekers zijn terug: door de hoge prijzen wordt in de VS weer olie gezocht. Dick Findley vond na 20 jaar mierenarbeid een sleeping giant.

Dick Findley oogt als een goeierd. Verlegen verschanst hij zich achter het bureau in zijn eenmansbedrijfje in Billings, in de Amerikaanse staat Montana, waar de sticker op de deur begint los te laten. Hij durft zijn gesprekspartner amper aan te kijken. Maar zijn ogen gaan glinsteren als hij vertelt hoe grote oliebedrijven hem jarenlang als een zonderling behandelden. Om niet te zeggen: als een idioot. „Je zag ze denken: heb je hém weer.”

Maar vorige maand stond hij op een podium in Houston, Texas, voor een zaal vol geologen en exploratiedeskundigen van diezelfde grote oliemaatschappijen. Het was de jaarvergadering van de Association of American Petroleum Geologists (AAPG) en Dick Findley kreeg er met zijn eenmansbedrijfje de prijs als beste oliespeurder van 2005. „Ik was zo overmand dat ik me bijna niets herinner”, zegt Findley. „Ik zweefde.”

Bijna 25 jaar geleden analyseerde de geoloog na een eigen studie dat er een gigantisch olieveld verborgen moest liggen in het grensgebied van de staten Montana en Noord-Dakota, rond het stadje Sidney (5.000 inwoners). Hij gaf zijn baan in de exploratiedivisie van een kleiner oliebedrijf op, en wijdde zich geheel aan de bewijsvoering.

Het was een eenzame keuze: bijna alle oliemultinationals, ook het Nederlands-Britse Shell, hadden de regio zojuist verlaten in de overtuiging dat olie hier nooit rendabel uit de grond zou worden gehaald.

Maar sinds Findley recentelijk bewees dat dit wel kan, is Sidney the place to be in dit deel van de VS. Werknemers (veel illegalen) stromen toe. Gemeenschappen bloeien op. Per dag worden er nu 48.000 vaten olie uit driehonderd bronnen geproduceerd. En wat belangrijker is: Findley meent te weten dat in het nabij gelegen Noord- en Zuid-Dakota en Canada – in een gebied van ongeveer 300.000 vierkante kilometer – ook olie is te vinden. Het is de reden waarom het daar inmiddels sterft van de wildcats, eenzame oliespeurders, zoals hijzelf.

Het goudzoekergevoel is herleefd. „Er hangt een geweldig opgewonden sfeer”, zegt Findley. „Mensen kopen grond en boorrechten, ze gaan ’s nachts op geheime missie, ze strooien elkaar met mysterieuze manoeuvres zand in de ogen – iedereen zoekt die ene oliebron die bewijst dat er véél meer olie is.”

Het vormt de keerzijde van een van de grootste Amerikaanse frustraties op dit moment: de hoogte van de olie- en benzineprijzen. Ook nu zich de laatste weken een dalende trend inzet, is de benzineprijs na ‘Irak’ de belangrijkste nationale ergernis. Kenmerkend voor het klimaat is dat oliemultinationals, ExxonMobil voorop, bij het conservatieve FoxNews onder vuur liggen voor hun op winst gerichte opereren. Het geeft wildcats als Findley extra wind in de zeilen.

Toen Findley zich in 1983 als eenling in Billings vestigde, belegde hij alles wat hij had in olie en gokte dat hij het jaren zonder inkomen kon stellen. De prijs daalde. In 1987 moest hij opgeven. „Al mijn geld was op.”

Hij deed klein advieswerk en beet op een houtje. Acht jaar later, in 1995, was hij financieel genoeg aangesterkt voor een nieuwe poging. De essentie van zijn analyse was dat de grote maatschappijen te diep hadden gezocht. Bovendien waren ze uitgegaan van een ondergronds olieveld, terwijl in dit geval, dacht Findley, sprake was van een dun olielaagje te midden van rotspatronen.

Maar omdat dit dunne laagje zich volgens Findley uitstrekte over een gebied van – toen nog – zeven bij zestig kilometer, was volgens hem niettemin sprake van een sleeping giant. Daarom besloot hij met een partner zoveel mogelijk boorrechten in het gebied op te kopen. Ze betaalden een habbekrats.

De kunst was daarna om een bedrijf te vinden dat, tegen de gewoonte in, de olie horizontaal uit de grond kon halen. Oliebedrijven werken met boortorens die de grond verticaal ingaan. In dit geval moest de boor ondergronds een horizontale wending nemen: door zand en water in de oliebron te spuiten, bedacht Findley, kon de olie uit de grond worden geperst.

Nadat hij nul op het rekest kreeg bij vele grote bedrijven, wist Findley in het jaar 2000 het omstreden Halliburton uit Texas te overtuigen in het project te stappen. Het grote moment kwam in mei 2000: olie spoot uit een bron nabij Sidney. „Alsof ik droomde.” Het kostte daarna nog jaren – zo werkt deze industrie – om de ware omvang van de vondst in te kunnen schatten. Maar na vorig jaar liggen de kaarten helder: er kunnen in dit gebied minimaal 150 miljoen vaten (één procent van de Amerikaanse oliereserves) uit de grond worden gehaald, maar mogelijk gaat het om 200 miljard vaten, anderen zeggen 400 miljard. Findley wil er niet op gokken. „Dit is zó gigantisch.”

Hij loopt nu al maanden op wolken. „Het is voor mij iets speciaals om in Sidney te zien dat al die mensen aan het werk zijn op plaatsen die ik jaren in mijn eentje afstroopte.”

Voor de goudzoekers heeft hij alle begrip: hij ziet zichzelf in hen terug. Het verschil is alleen dat hij zijn fortuin ook heeft gemaakt. „Vroeger zei ik: mijn werk is mijn hobby. Tegenwoordig is het nog wáár ook.”

    • Tom-Jan Meeus