Een mammoetbot op mijn pad

Het stadsdichterschap van dichter Ramsey Nasr in Antwerpen begon roerig.

Zijn stadsgedichten en een bundel essays vormen hiervan samen een uniek document.

Nasr creëert een rumoerig portret van Antwerpen. Foto Wim Daneels Antwerpen Groenplaats - foto Wim Daneels WDK

‘Ik herinner mij een gesprek op het kabinet met de burgemeester en de schepen van cultuur, ten tijde van de heisa, waarbij op zeker ogenblik bloedserieus werd gesteld: ,,Het belangrijkste is nu dat er snel een gedicht komt”.’

Dit schrijft Ramsey Nasr nu na afloop over het begin van zijn ambtsperiode als stadsdichter van Antwerpen, gedurende het jaar 2005. Zijn aanstelling ging gepaard met een politieke rel, die deels voortkwam uit het feit dat hij een Hollander was, deels uit het feit dat hij een Palestijn was en voor het grootste deel uit het feit dat hij in een opiniestuk stelling had genomen in de Palestijnse kwestie.

Zelden is er zoveel politieke ophef ontstaan over een dichter. En ik denk dat het nog nooit is voorgekomen dat politici er in alle ernst op hebben aangedrongen een revolte te smoren met een gedicht. Het gedicht kwam er. Het is getiteld Stadsplant en is nu samen met de andere negen stadsgedichten van Nasr alsmede het lange zeppelingedicht Z gebundeld in onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Tegelijk met de dichtbundel verscheen een bundeling van Nasrs essays onder de titel Van de vijand en de muzikant. De twee bundels samen vormen een uniek document over een politiek beladen dichterschap en geven een beklemmende impressie van de ongekende druk waaronder de dichter heeft moeten werken. Ze vormen verplichte literatuur voor ieder die wil weten wat er kan gebeuren wanneer poëzie wordt gedwongen zich met de politieke realiteit te verhouden.

Hoe schrijft een dichter die op last van burgemeester en schepen van cultuur zo snel mogelijk een gedicht moet schrijven om de rel te sussen? Wie weet heeft van de achtergronden en de situatie waarin het tot stand is gekomen, kan niet anders dan concluderen dat Stadsplant, het eerste stadsdichtersgedicht, een erg moedig gedicht is. Hoewel een stad en een hele natie over zijn schouders meekijken, zwicht Nasr niet voor de verleiding van onschadelijke populistische verstaanbaarheid. Integendeel. Hij schrijft een lang, kolkend, lyrisch gedicht vol valstrikken en valkuilen. Ook slaagt Nasr erin zijn ambtsperiode te openen met een ode aan de stad, zonder dat hij de ophef die zijn aanstelling heeft veroorzaakt, wil negeren. Het gedicht drijft op de dubbelzinnigheid van een liefdesverklaring aan een stad die hem bijna heeft willen verstoten. Het begint zo:

het was zonnig die dag, ik liep zonder helm over de leien

ingeburgerd als altijd, vrij als een ijzeren vlinder, volmaakt

gelukkig en op deze dag stortte ik gillend omlaag langs de werken

waar een mammoetbot mijn val brak: welkom in antwerpen

Na deze ambigue opening beschrijft het eerste deel van het gedicht een merkwaardig aangenaam verblijf in een spookachtige ondergrondse spiegelversie van het echte Antwerpen.

Met alle rust en eenzaamheid die zij de dichter gunt, is zij tevens de stad waarvan de dichter kon houden voordat de grote heisa begon. In het tweede deel van het gedicht krijgen de Antwerpenaren het woord. In de eerste persoon meervoud spreken zij over ‘hem,’ de dichter voor wie zij zo bang zijn:

natuurlijk hadden we bang, ja bang dat hij via zwalpende omweg

aan onze melk, onze eiermarkt zou raken, schuren zou

langs de naakte muren van onze lieve vrouw of erger nog

bang hadden wij van gedachtes aan hem in de haarstraat

er waren er die hem s nachts richting bloedberg hadden horen

stiefelen (alleen dat woord al: stiefelen) en wat hij daar deed

we weten het niet, niemand heeft hem er ooit zien opduiken

wat extra verdacht was want wat had hij daar onzichtbaar te zoeken?

Het knappe hieraan is dat Nasr erin slaagt om de zeer concrete ophef poëtisch te vertalen in een abstract maar zeer verontrustend soort angst, de angst voor de buitenstaander die melk doet verzuren en onze lieve vrouwen bezoedelt, de angst zijn vreemde taalgebruik dat woorden als ‘stiefelen’ niet schuwt, de angst voor zijn ongrijpbaarheid. In het derde deel van Stadsplant ten slotte neemt de dichter het woord en spreekt hij tot zijn stadsgenoten. Wat hij zegt, is een liefdesverklaring. Maar zijn stadsgenoten blijven achterdochtig.

De poëtische vertaling van een gevoel van vervreemding en de liefdesverklaring van de dichter die door iedereen als buitenstaander wordt gezien, maakt dit tot een gedicht dat moedig is toegesneden op de aanleiding, maar ook tot een gedicht dat los van die aanleiding een goed gedicht is. Zo begon het moeilijkste stadsdichterschap glorieus. De toon wordt volgehouden in de overige stadsgedichten, die bij elkaar een rumoerig en dubbelzinnig portret geven van de stad die zo makkelijk te haten zou zijn als de dichter haar niet liefhad.

Ramsey Nasr: onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Antwerpse gedichten. De Bezige Bij, €18,90.

Ramsey Nasr: Van de vijand en de muzikant. De Bezige Bij, €17,90. De Bezige Bij, €17,90.

    • Ilja Leonard Pfeijffer