‘De roman wordt marginaal'

Florian Zeller (27) is een ster in Frankrijk, maar werd ook beschuldigd van islamofobie.

Zelf vindt hij zijn derde boek eerder een verdediging van de romankunst.

Florian Zeller met zijn boek La fascination du pire na de uitreiking van de Prix Interallié in november 2004 in Parijs. Foto AFP l'écrivain Florian Zeller pose, le 16 novembre 2004 devant le restaurant Lasserre à Paris, après avoir s'être vu attribuer le Prix Interallié 2004 pour son livre "La fascination du pire" (Flammarion). Florian Zeller, né en 1979, raconte dans son roman l'expérience d'un jeune lettré invité en Egypte pour donner des conférences. Il croyait découvir le pays comme l'avait fait Flaubert et assiste en fait à la montée de l'intégrisme. AFP PHOTO DANIEL JANIN AFP

Precies twee weken nadat in Nederland op 2 november 2004 Theo van Gogh werd vermoord, kreeg de toen 25-jarige schrijver Florian Zeller een van de grote Franse literaire jaarprijzen, de Interallié, voor zijn roman La Fascination du pire. De roman gaat over een provocatief ingestelde schrijver, Martin Millet, die door islamitische radicalen vermoord wordt nadat hij een roman heeft geschreven over islam en seks. De titel luidt: ‘Gefascineerd door het ergste’.

Anderhalf jaar later moet Zeller aan de keukentafel van zijn Parijse appartement een beetje lachen om de vraag of La Fascination du pire een ideologisch boek was. „Ik heb het niet gelezen”, zegt hij eerst. Dan: „Nee, de auteur was geen ideoloog, hij was wanhopig.” Hij heeft het over Martin Millet, zijn personage.

Met Zeller zelf liep het anders. Sinds deze roman, zijn derde al, is zijn naam als aanstormend literair talent gevestigd. Hij geldt als een nazaat van Michel Houellebecq – door zijn (lichte) voorkeur voor provocatie en zijn belangstelling voor seksuele ontreddering – maar wel een met een eigen stem.

De aankondiging dat hij in september met een nieuwe roman komt, was deze maand nieuws in Frankrijk. Het wordt een roman met een titel die naar Stendhal verwijst, vertelt Zeller: Julien Parme. Het verhaal handelt over nachtelijke escapades in de puberteit, maar het is „zeker geen negentiende-eeuws boek”. Eigenlijk had hij deze roman L’art de la fugue willen noemen, „maar die had Bach al in beslag genomen”.

In Nederland is nu, anderhalf jaar na de moord op Van Gogh, juist de vertaling verschenen van La Fascination du Pire, Gefascineerd door het ergste.

Wat dacht u toen u hoorde over de moord op Theo van Gogh: ik heb gelijk gehad?

„Het was voor mij een echo van de vragen die ik opwierp over kunst en censuur. Dat je met je leven moet betalen voor wat je maakt, is strijdig met de oorsprong van de westerse kunst. Die is geboren toen prinsen begonnen kunstenaars bescherming te bieden zodat ze hun eigen gang konden gaan. Fysieke bescherming. Dat is essentieel voor de kunst. Aan die situatie komt nu een einde.”

Komt dat door de islam?

„Daar ging het me niet om. Mij is verweten dat mijn roman islamofoob was. Maar ik houd me verre van politiek, ik beschrijf onze tijd. Mijn drijfveer was het probleem van de censuur, de vrijheid van de literatuur. Ik had evengoed een historische roman kunnen schrijven over de conflicten van Voltaire met de katholieke kerk, dan had ik mezelf meer beschermd.”

Waarom koos u dan toch voor de islam in Egypte?

„Omdat ik van het Midden-Oosten houd, ik heb er veel gereisd, en omdat het thema daar een extra dimensie kreeg. Islamitische landen hebben een grote poëtische traditie, maar geen cultuur van het lezen en schrijven van romans. Een paar elementen in het boek berusten op de werkelijkheid. Ik ben inderdaad naar Egypte geweest, en hoorde toen van een journalist dat Madame Bovary in Egypte niet uitgegeven wordt en dat Duizend-en-één nacht verboden was. Dat raakte mij. Ik denk dat de roman altijd de school van de vrijheid en de dubbelzinnigheid is geweest. Milan Kundera schrijft dat de roman is geboren op het moment dat in één paragraaf twee tegenstrijdige gedachten voorkomen. Dubbelzinnigheid impliceert humor. Die was er voordien niet. De islam heeft ook geen humor. Via de islam kon ik schrijven over de roman als vehikel voor de vrijheid, het genre dat mensen heeft geleerd ‘ik’ te zeggen.”

Ziet u de roman als wapen?

„De roman is destructief voor elk systeem dat pretendeert de waarheid in pacht te hebben. Elke religie, niet alleen de islam, vormt een gesloten filosofisch systeem, dat de wereld wil uitleggen met een systeem van vergelijkingen. Je hebt maar één gat nodig in dat systeem en dan werkt het niet meer. De roman is bij uitstek het genre dat schaduwen werpt, nuanceert en laat zien hoe ingewikkeld alles is.”

U werpt de vraag op of de roman nog wel essentieel in Europa is. Waarom?

„De vraag is of de roman nog verbonden is met de ziel van de samenleving. Ik denk dat we een andere tijd binnengaan. Dat zie je aan kleine, dagelijkse veranderingen. De mobiele telefoon zal veel belangrijker blijken te zijn dan ‘11 september’ is geweest. Kijk maar eens naar de tieners van nu. Voor mij was de adolescentie een tijd van wachten. Je zit vol dromen, maar je moet geduld hebben. Ik vind dat een mooie notie, dat je moet wachten voordat je iets krijgt. Maar jongeren nu zijn eraan gewend via internet overal onmiddellijk toegang toe te hebben. Ze zullen er vast wereldser van worden. Maar onze conceptie van de wereld zal erdoor veranderen.”

Past de roman niet meer in die nieuwe cultuur?

„De roman zal niet verdwijnen, maar we zijn misschien wel aan het einde van de romansamenleving. Ik denk dat de roman marginaal zal worden. Ik geloof nog echt in de roman als project. De roman is juist nog belangrijker dan in andere periodes, omdat er bij uitstek de complexiteit en de permanente ambivalentie van het leven in tot uitdrukking komen.”

Het gevoel voor ambivalentie staat toch niet onder druk in de westerse samenleving?

„Jawel, omdat de wereld weer ideologisch aan het worden is. Vooral via de religie. Zie de Verenigde Staten. Wat dat betreft is de opkomst van de islam een heel eigentijds verschijnsel. Maar er zijn meer aanwijzingen. Zoals de juridisering van het – literaire – leven. Toen ik dit boek schreef, raadde de juridische afdeling van mijn uitgever me honderden wijzigingen aan.”

Luisterde u naar die adviezen?

„Nee! Soms was het ook karikaturaal. Zo kreeg ik het advies om het woord ‘islam’ overal te vervangen door een metafoor. Omdat er nu eenmaal clubs zijn die je meteen aanvallen. Na verschijning werd het eerst ook aardig agressief, maar zodra het boek was genomineerd voor de Prix Goncourt sloeg de stemming om. Toen werd het gezien als een literair object.”

Het moest eerst duidelijk worden dat u niet samenviel met uw ik-figuur?

„Dat moet ik vaak uitleggen. Er is een sterke verwarring gaande – die ik in het boek verwerk via Martin Millet – dat literatuur altijd neerkomt op een bekentenis. Dat heeft volstrekt karikaturale proporties aangenomen. Afgeleide producten die zelf niet tot de romaneske traditie behoren, zoals getuigenissen en autofictie, zetten het idee van de fictie onder druk: die prachtige notie van de immuniteit van de verbeelding. Ook de media-samenleving ziet in alles – een toneelstuk, een film – een voorwendsel om zich op de maker te storten.”

Zoals ik nu doe met u?

„Wij voeren nog een echt gesprek. Maar inderdaad, het ideaal is toch om achter je werk te verdwijnen. Wat je zeggen wil, schrijf je. Daarna heb je niks meer te zeggen. Alles wat tussen de lezer en het boek staat, is een obstakel voor mijn droom om gelezen te worden. Wij ook.”

Florian Zeller wordt op dinsdag 6 juni geïnterviewd door Abdelkader Benali in Maison Descartes in Amsterdam. Aanvang 20.00 uur, toegang € 6,– www.maisondescartes.com.