Absurd? Wie is er nou absurd?

Er was een tijd dat politieke tekenaars een persoonlijke overtuiging hadden.

Maar de verontwaardiging is verdwenen. Absurdisme kwam ervoor in de plaats.

'Kamervoorzitter Weisglas', een creatie van Koefnoen.

De politieke tekening; bestaat deze eigenlijk nog wel? Prenten waarin het onrecht wordt gehekeld, de politicus gefileerd, het systeem aangeklaagd. Tekeningen die spiegel en vuistslag tegelijk zijn. Kortom: de tekening met de boodschap, waarin de boodschapper direct wordt herkend.

Waar zijn ze? Wie zijn de opvolgers van Opland, Fritz Behrendt, Peter van Straaten en de gisteren overleden Frits Müller? Zoals het cabaret het jarenlang deed met de ‘grote drie’ (Wim Kan, Wim Sonneveld, Toon Hermans) werd het genre van de politieke tekening beheerst door hún namen.

Maar nu? Meer tekeningen, minder grote namen. De politieke tekening is een tekening geworden. „Als ze goed zijn, zijn cartoonisten gezond subversief en respecteren ze niets of niemand”, scheef de Belgische hoogleraar geschiedenis Anne Morelli twee jaar geleden in een overzichtsboek van de Belgische „getekende journalistiek”. Voor Nederland is dat niet anders. De meeste tekeningen voldoen ook wel aan die eis. En toch is het anders dan vroeger. Het is het tijdperk van de beeldvorming, maar uitgerekend de politieke tekenaars bepalen minder het beeld.

Zou het te maken hebben met de generatie? Het is opvallend hoe op leeftijd de meeste ‘klassieke' nog actieve Nederlandse politieke tekenaars zijn. De geboortejaren dateren van voor of vlak na de oorlog. Ruben L. Oppenheimer, die sinds enkele jaren in NRC Handelsblad publiceert, is een van de zeer weinige dertigers. Moet het metier van de politieke tekenaar gekoppeld worden aan de tijdgeest? Anders gezegd, met dus alweer de opstandige jaren zestig?

De toonaangevende politieke tekenaars leken in elk geval vroeger van meer persoonlijk engagement te getuigen. De in 2001 overleden Volkskrant-tekenaar Opland portretteerde VVD-leider Hans Wiegel steevast met een snotdruppel aan zijn neus. Vrij Nederland-tekenaar Peter van Straaten veranderde in de jaren tachtig, ten tijde van de bezuinigingskabinetten, het gezicht van premier Lubbers altijd in een boeventronie. Voor de oorlog waren de ‘bazen’ in de tekeningen van Albert Hahn, die werkte voor het socialistische dagblad Het Volk, gemakkelijk te herkennen aan hun dikke buiken en hoge hoeden.

Niemand die er aan hoefde te twijfelen waar de tekenaar stond. En heel Nederlands: de politici vonden het nog leuk ook. Geen grotere eer dan in een tekening figureren van een van de bekende cartoonisten. De meeste ingelijste tekeningen zijn te vinden bij de afgebeelde slachtoffers zelf.

Met het verdwijnen van de ideologisch geladen politieke strijd is ook de klassieke politieke tekening verdwenen. Het paarse experiment van midden jaren ’90 heeft niet alleen het politieke debat geneutraliseerd, maar ook de politieke tekening getorpedeerd. Waar politieke strijd ontbeert, is er voor de politieke tekenaar maar zeer weinig te halen. Het waren kommervolle tijden voor de tekenaars.

„Een prent zegt soms meer dan duizend woorden. Een goede prent legt ons vak genadeloos bloot”, schreef toenmalig VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein tien jaar geleden tijdens de hoogtijdagen van Paars in een overzichtsbundel van politieke tekeningen. Het is toen veel te weinig gebeurd. Niet omdat de tekenaars niet wilden, maar omdat ze het materiaal niet hadden. Tegen zo veel consensus kon zelfs het scherpst geslepen potlood niet op.

En nu? De tekenaars hebben concurrentie gekregen van de televisie. Niet zij bepalen nog langer het karikaturale beeld maar de imitators van Koefnoen of Koppensnellers. In prent wordt de politiek tegenwoordig mede beschouwd door creaties als Fokke & Sukke en Sigmund. Verontwaardiging die bij de Frits Müllers zo vaak het vertrekpunt van hun tekeningen was, speelt nauwelijks nog een rol. Absurdisme is er voor in de plaats gekomen. Waarbij één vraag resteert: zegt dat iets over de huidige tekenaars of over de huidige politiek?

    • Mark Kranenburg