Ömer moet echt op taalles

Veel allochtone hogeschool-studenten vallen uit door taal- en cultuurproblemen.

De opleidingen pakken dat probleem ‘te vrijblijvend’ aan.

Lector Maaike Hajer uit Utrecht

Hij is in Nederland geboren, maar in het Turks opgevoed. Met familieleden spreekt hij meestal Turks. Zijn Nederlands is matig. Toch wil Ömer leraar geschiedenis op de middelbare school worden.

De enige docent met wie hij op de lerarenopleiding contact heeft, is van Turkse afkomst. Op zijn stage heeft hij een Turkse begeleider, een bekende van een oom. Zijn contact met Nederlandse studenten, docenten en begeleiders is minimaal.

„Je houdt het niet voor mogelijk!”, zegt Maaike Hajer. Ze is lector ‘Lesgeven in de multiculturele school’ aan de Hogeschool Utrecht. Haar lectoraat is er op gericht om opleidingen beter te leren omgaan met de groeiende etnische verschillen op scholen.

Ömer is een van de vier studenten die centraal staat in het onderzoek Ghita, Mohamed, Nadya en Ömer op de hbo-opleiding. Het is uitgevoerd door lerarenopleider José Beijer van de ‘kenniskring’ van Hajers lectoraat. Beijer werkte langdurig als ‘vraagbaak’ en taaldocent voor allochtone studenten op de Hogeschool Utrecht. Ze merkte dat een goed inzicht ontbrak in de aard van hun studieproblemen. Intussen is de uitval niet gering. Na één jaar hogeschool is de uitval van allochtonen drie tot vijf procent hoger dan die van autochtonen. De uitval na het tweede jaar ligt zes procent hoger bij allochtonen.

De situatie van Ömer wijst uit dat er nog veel werk te verrichten valt, zegt Hajer. Vooral in het kader van het ‘diversiteitsbeleid’, dat de Hogeschool Utrecht zoals zoveel onderwijsinstellingen voert. „Diversiteit betekent niet alleen dat Nederlandse studenten moeten leren hoe ze moeten omgaan met leerlingen van een zwarte school. Ömer moet op zijn beurt nog het nodige leren over zijn rol als leraar in de Nederlandse samenleving.”

Er wordt bij problemen van allochtone studenten vaak op onvoldoende taalbeheersing gewezen, zegt Hajer. Ook haar eigen lectoraat, dat nu vier jaar bestaat, heeft zich daar tot nu toe vooral mee bezig gehouden. „Maar we kwamen er achter dat er meer speelt. Zo blijkt zelfreflectie een onbekend fenomeen. En dat studenten verschillen in hun opvattingen over orde en discipline op school.”

Opvallend dat er weinig aandacht is voor die verschillen in achtergrond, cultuur en vooropleiding tussen studenten. Zo wordt er aan het begin van de studie nauwelijks geregistreerd wat studenten wel kunnen en wat nog niet, zegt Hajer. Een van de aanbevelingen in het onderzoek is dat er per student aan het begin van de studie wordt bepaald waar bijscholing of specifieke aandacht nodig is. Het gaat om diversiteitsbeleid gericht op individuele behoeften van studenten.

Uit de lotgevallen van Ghita, Mohamed, Nadya en Ömer blijkt dat de begeleiding tekortschiet. Begeleiders zijn zich daar onvoldoende bewust van. Hun adviezen zijn te vrijblijvend, of spreken elkaar tegen. De begeleiders zien vaak wel dat er ‘iets’ is, zegt Hajer, maar ze beseffen niet dat zij daar wat aan kunnen doen.

Dat blijkt als de klas van Ömer een videofragment van een groepsdiscussie terugziet, geciteerd in het onderzoek. Zelf is Ömer na afloop tevreden over zijn inbreng. Alleen zijn spreektempo ligt naar eigen zeggen iets te hoog. De docente vindt echter dat Ömer slecht articuleert en vindt het vermoeiend om naar hem te luisteren. Hij is slecht te verstaan en gebruikt te veel tussenwerpsels.

Toch geeft ze alleen commentaar op de inhoud van zijn verhaal. Als ze iets van Ömers taalgebruik zou zeggen, vertelt de docente, zou dat de aandacht afleiden van zijn boodschap. „En daar heeft hij het al moeilijk genoeg mee.”

Zo moet het dus niet, oordeelt Hajer. „Je kunt taalproblemen niet laten voor wat ze zijn. De eisen aan taalvaardigheid van studenten moeten expliciet worden benoemd.” Alle studenten uit het onderzoek van Hajers kenniskring hebben geregeld last van hun gebrekkige beheersing van het Nederlands.

Aparte taallessen hebben in het verleden niet de gewenste resultaten opgeleverd. Daarom zijn er bij vier opleidingen op de Utrechtse Hogeschool pilots gestart met integratie van taal in alle vakken. Hajer: „In het geval van Ömer is het een raadsel dat hij zo door het basis- en voortgezet onderwijs is gerold. Iemand als hij is niet genoeg gebaat bij een apart taalvak. Een oplossing is dat ook andere docenten zien dat zij in hun lessen aandacht aan taal kunnen besteden.”

Heeft Ömer nu te veel achterstanden om een goede docent te worden? Niet per se, zo blijkt uit een in het onderzoek aangehaalde situatie. Op de zwarte vmbo-school waar Ömer stage loopt, vertelt hij over zijn ervaringen met geweigerd worden bij de deur van de discotheek. De leerlingen hangen aan zijn lippen.