Nationale staten moeten Europese Unie dragen

De EU moet zich bevrijden van de tot nu toe gevolgde doodlopende weg, en moet het vertrouwen van de burger herwinnen, menen Eimert van Middelkoop en André Rouvoet.

Een klein jaar geleden werd in Frankrijk en Nederland na referenda de politieke steun aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa opgezegd. „De Europese Grondwet is dood”, heeft minister Bot bij herhaling opgemerkt.

Die zekerheid mag er dan zijn, grote onzekerheid, zo niet verlamming, is er nog altijd als het gaat om het trekken van reële verdere conclusies uit dit volksverdict. Het overleg van de ministers van Buitenlandse Zaken van het afgelopen weekeinde heeft niet veel meer opgeleverd dan een jaar extra bedenktijd. Aangezien de ambitie de Grondwet alsnog in te voeren nog altijd levend is, is gezonde achterdocht op zijn plaats: kennelijk heeft men zijn hoop gesteld op de komende verkiezingen in Nederland en Frankrijk. Dat lijkt niet de manier om het vertrouwen van de bevolkingen in het Europese project te herwinnen. Dat is intussen wel een zaak van groot politiek gewicht. Het heeft weinig zin precies te willen weten waarom de uitslag van de referenda negatief was. Het daarin gedemonstreerde gebrek aan vertrouwen in Europa laat in elk geval zien dat er sprake is van een legitimiteitscrisis.

Wie de laatste jaren goed oplette, kon waarnemen dat aan de onwillige burgers even onwillige regeringen vooraf gingen. Denk aan de wijze waarop Frankrijk en Duitsland nationale belangen lieten prevaleren boven de verplichtingen van het Groei- en Stabiliteitspact, het afkalvende gezag van de Europese Commissie en de fundamentele onenigheid bij het bepalen van een positie tegenover de Amerikaanse inval in Irak.

Dat de Europese Unie op enig moment toe zou zijn aan een heroriëntatie was te voorzien. Immers, met de opheffing van de Europese deling en de daaruit resulterende toetreding van tien nieuwe lidstraten tot de EU heeft de Unie een nieuwe historische fase bereikt, die niet meer primair in het teken stond van een garantie voor vrede en welvaart en het verzoenen van Frankrijk en Duitsland.

Nu met deze historische argumenten de Unie als natieoverkoepelend megaproject niet meer voldoende is te legitimeren moet worden nagegaan wat een overtuigende en bijdetijdse legitimatie zou kunnen zijn. Die legitimatie zal niet primair gevonden worden bij Europa zelf, zijn identiteit als drager van een geheel van waarden en normen of haar rol als speler op het wereldtoneel, maar allereerst als hulpstructuur van en voor de nationale staten. Daarin zal de finaliteit van de Europese samenwerking zijn gelegen. Dat is een boodschap die door de burgers in Europa goed zal worden begrepen. Zij hebben immers, anders dan in een ver verleden wel werd verondersteld, nooit hun nationale politieke loyaliteiten tegenover de natiestaat prijsgegeven ten faveure van het Europese ideaal.

Wat is dan nodig? Allereerst een grondige herziening van de verdragen met als oogmerk een stabiele en vertrouwenwekkende verdeling van bevoegdheden. De Unie moet zich bevrijden van de gerechtvaardigde argwaan bij burgers dat zij zich met een niet te verzadigen machtshonger steeds verder en dieper ‘invreet’ in de (nog resterende) nationale soevereiniteit. Die onverzadigbaarheid zit nu als een dwingende logica ingebakken in de verdragen. Immers, de Uniebevoegdheden zijn – en het is cruciaal om dat te onderkennen – doorgaans omschreven in termen van resultaten en niet als staatkundig begrensde competenties. De EU is bevoegd als de eenheid van het gemeenschapsrecht dat vereist of als de werking van de Interne Markt daarom vraagt. Dat is het principiële vliegwiel dat in het bijzonder via het Hof en de Commissie het politieke domein van de Unie steeds verder doet vergroten. Juist dat feit, hoe diffuus vaak ook begrepen, ligt ten grondslag, en terecht, aan het gegroeide wantrouwen van burgers.

Daarom is het nu nodig dat de Europese Raad opdracht geeft tot een herziening van de Verdragen met als oogmerk een herformulering van de Unie als een internationale instelling met weliswaar ingrijpende, maar vooral principieel begrensde, bevoegdheden. Alleen in zo’n staatkundige architectuur krijgen toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en versterking van de rol van de nationale parlementen houvast en zin. Ook wordt alleen dan voorkomen dat bijvoorbeeld het nationale strafrecht onafwendbaar instrumenteel wordt gemaakt aan Europese verlangens.

Vervolgens ontstaat er politieke ruimte voor een even ingrijpende institutionele hervorming. Ook dat zal het vertrouwen bij burgers doen terugkeren. Te denken valt aan een verkleining van zowel de Europese Commissie als het Europese Parlement. Erkenning dat de nationale staten de dragers zijn en blijven van de Unie, biedt ook een opening om na te denken over een andere wijze van verkiezing van leden van dat parlement. Niet meer rechtstreeks, maar door de leden van de nationale parlementen eventueel aangevuld met andere volksvertegenwoordigers van regionale en lokale overheden.

Deze fundamentele heroriëntatie van de EU kan worden benut om de geografische grenzen van de Unie vast te stellen. Nu groeit met de dag de twijfel, zelfs bij de Nederlandse regering, of na de uitbreiding tot 25 lidstaten de Unie nog over voldoende draagvlak en absorptiecapaciteit beschikt voor een nog verdere uitbreiding. Daarom, en daar zal politieke moed voor nodig zijn, is het gewenst dat de Europese Raad ook uitspreekt dat er na Roemenie en Bulgarije vooralsnog geen ruimte meer is voor nieuwe leden. In het bijzonder de onderhandelingen met Turkije dienen daarom een nieuwe missie krijgen. Het kan niet meer gaan om een klassieke toetreding. Wel om een vorm van partnerschap op basis van het beginsel van goed nabuurschap. Zeker in het geval van Turkije is dat een eis van politieke wijsheid. Immers, er is weinig fantasie voor nodig om te voorspellen wat de uitslag van nationale referenda zal zijn als de vraag voorligt of men toetreding van Turkije aanvaardbaar vindt.

Het is onverantwoord om een traject te vervolgen waarbij dat land na vele jaren van onderhandelen uiteindelijk en onvermijdelijk het lid op de neus zal krijgen. De Unie moet zich daarom bevrijden van deze doodlopende weg.

Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie. André Rouvoet is fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer.

    • Eimert van Middelkoop