Hobbykamer

Soms stuit je in taal op subtiliteiten die nauwelijks zijn uit te leggen. Ik doe toch een poging. Onlangs kregen mijn vrouw en ik bij vrienden die we nog niet zolang kennen een rondleiding door hun huis. Kijk, dit is de keuken, zo gaan we naar boven, dit zijn de kinderkamers en dat is de badkamer, zei de man. „En hier”, vervolgde hij, terwijl hij een deur openduwde, „is onze hobbykamer.”

We keken recht in de ouderlijke slaapkamer, waar het bed pontificaal in het midden stond.

Mijn vrouw en ik schoten in de lach, maar zijn eigen vrouw reageerde gebeten. „Hè, ik vind het zó stom als je dat zegt”, zei ze.

Nu is er natuurlijk niks mis met het woord hobbykamer. Maar noem je slaapkamer een hobbykamer en je zegt eigenlijk: seks is onze hobby en die bedrijven we grotendeels dáár in dat grote bed.

Het was een beetje een gewaagd grapje. Niet alleen wegens de verwijzing naar seks op een onverwacht moment tegen mensen die je nog niet lang kent, maar vooral omdat het eigenlijk zo’n oubollig mannengrapje was. Zeg zoiets op een ranzige toon en het is opeens helemaal niet leuk meer. Maar hij zei het met een open en volkomen onschuldig gezicht, wat de reactie van zijn vrouw nog grappiger maakte. Terwijl zij hem verwijtend aankeek, zei hij met een glimlach: „Je zit boven op de kast, lieverd, boven op de kast.”

Ik bedoel maar: als je alleen naar de woorden kijkt, gebeurde er vrijwel niets: man noemt slaapkamer hobbykamer. Maar dat ene woord (zeker in combinatie met onze) bevatte véél meer: associaties met seks, een spel met omgangsvormen (kun je het maken om dat te zeggen?) en met smaak (opzettelijk oubollig), plus een plagerijtje.

Zoals gezegd: soms stuit je in taal op subtiliteiten die nauwelijks te beschrijven zijn.

Hal Nu we het toch over huizen hebben: ik kreeg laatst een brief van een lezer die zich had opgewonden over een makelaar die de hal in een huis een hall had genoemd („Kijk eens naar de lichtval in de hall”). Waarom moest dat nou in hemelsnaam in het Engels?

Omdat die makelaar het beter vond klinken, denk ik. Chiquer, groter, misschien zelfs helderder van licht. Dit alles op niks af, natuurlijk.

Overigens zijn de hall-zeggers al langer onder ons. Sterker nog, er is reeds eerder over geklaagd. In 1950 schreef dr. B.C. Damsteegt, die zou uitgroeien tot een bekend taalkundige, in een boekje getiteld In de doolhof van het Nederlands: „Een aanwensel van betrekkelijk jonge datum, dat vooral in gegoede kringen kan worden opgemerkt, is het gebruiken van het Engelse woord hall in plaats van hal. [...] Hal is een goed Nederlands woord, in vele betekenissen al eeuwen in gebruik, en er is geen enkele reden om daarvoor het Engelse woord in de plaats te stellen. Zolang we elkaar nog ‘op de thee’ vragen en niet ‘op de tea’ (al klinkt teaën natuurlijk héél gedistingeerd), zolang moeten we ook maar hal zeggen en niet hall.”

Damsteegt schreef dit boekje als een wegwijzer voor „zuiver taalgebruik”. Zijn opmerking over hall heeft niet kunnen voorkomen dat het nog regelmatig wordt gebruikt, vooral door makelaars. Op internet schreef een van hen, over een huis in Waalre: „Ruime hall met meterkast. Luxe betegeld toilet met fonteintje.” En ondertussen is inkomhall in het Vlaams volkomen ingeburgerd. Alleen op internet komt dit woord al ruim 26.000 keer voor.

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek

    • Ewoud Sanders