En toen reed ik weg. Ik herhaal: reed ik weg

De avond ervoor zou ik vroeg naar bed gaan, maar op de een of andere manier lukte dat niet. Misschien door de intense zenuwen die door mijn lichaam gierden. De eerste rijles had ik geboekt op een onmogelijk vroeg tijdstip, in de hoop dat iedereen dan nog sliep.

In een verkramping liep ik naar buiten, op de lesauto af. De leraar stond ernaast. Hij gaf me een hand. Ik stapte in Aan De Chauffeurszijde, en gordelde me ogenblikkelijk in. Misschien zou de handrem losschieten voor de leraar ingestapt was, en dan zou ik de auto in mijn eentje door alle straten van Amsterdam en randgemeenten moeten manoeuvreren.

De leraar stapte in en complimenteerde me omdat ik al ingegordeld zat. „Maar”, zei hij voorzichtig, „doe je gordel nu maar weer even los, want we gaan de stoel verstellen.”

„Ik ben zenuwachtig”, erkende ik met gevoel voor understatement. „Je bent de eerste niet”, zei de leraar. Dat was een eyeopener. Misschien waren er meer mensen bang geweest, de eerste keer. Vooral neurotische mensen van 31 met een fobie voor versnellingspoken en een gebrek aan vertrouwen in de eigen behendigheid, een gebrek aan vertrouwen dat door jarenlang empirisch zelfonderzoek werd onderbouwd.

En toen reed ik weg. Ik herhaal: reed ik weg. „Je bent wel rustig”, zei de leraar na een tijdje. En dat was ik vreemd genoeg ook. Oké, mijn schouders zaten in mijn oren, en achter me reed een file die je normaal gesproken niet in een rustige woonwijk ziet, maar verder ging alles goed.

Zo goed dat de leraar besloot mij over de Stadhouderskade te laten rijden, een vervaarlijke weg (zestienbaans?) in het midden van Amsterdam, waar alleen de regels van het Wilde Westen gelden. Ik vergat het stuur in de ‘tien over twee’-greep vast te houden, mijn schouders kropen nog verder in mijn oren, en achter mij werd fanatiek getoeterd. „EIKEL!” riep ik tegen de automobilist achter me.

Pas uren later, toen ik allang weer thuis was en mijn schouders weer op schouderhoogte waren, vroeg ik me af wat de leraar ervan had gevonden dat ik „EIKEL!” riep. (Meestal vraag ik me meteen, en constant, af wat andere mensen van dingen vinden die ik zeg en roep.) Ik schaamde me. Maar toen besloot ik dat „EIKEL!” roepen het automobilisterigste was dat ik tijdens mijn eerste les had gedaan.

    • Aaf Brandt Corstius