Call me Ismael

Bij koeien is het heel gewoon om ze een naam met een nummer erachter te geven. Clara I, Alie VI. Maar de eerste keer dat je iemand tegenkomt met dezelfde voornaam als je zelf hebt is altijd even wennen. En iemand die ook dezelfde achternaam heeft, is regelrecht onthutsend. Het zoontje van een vriend was totaal in de war toen een andere vrouw net zo bleek te heten als zijn moeder. Verontrust vroeg hij: „En ben jij dan ook mijn moeder?” Een naam, we hebben er de laatste tijd tot vervelens toe over moeten horen, identificeert. Maar als een ander dezelfde naam heeft is de identiteit ineens een beetje zoek.

Soms is dat ook de bedoeling. Het is niet voor niets dat mensen die opgesloten werden (en waarschijnlijk ook degenen die dat nog steeds worden) in kampen om te beginnen hun naam werd afgenomen. Bij kloosterlingen gebeurt het ook, ze moeten hun oude identiteit achter zich laten en een nieuwe aannemen. Met die nieuwe identiteit zullen ze ook een andere persoon worden, iemand die geestelijker is, die naar een heilige voorganger genoemd is, die het niet meer belangrijk vindt dat hij Piet Jansen of Maartje Klasema is, maar die broeder Aloysius is geworden of zuster Benedicta – één van de gemeenschap van heiligen.

In het minder heilige gaat het ook zo, denk aan de artiestennaam. Marilyn Monroe was iemand anders dan Norma Jeane Mortenson, Mata Hari was beslist niet Margaretha Zelle. Met een nieuwe naam kan men een ander leven leiden, moet men een ander leven leiden, want de naam schept nieuwe verplichtingen. Zo werkt het al als het vrijwillig gebeurt. De oude persoon verdwijnt achter de nieuwe. Zo werkt het ook, of zo is het bedoeld om te werken, als het onvrijwillig gebeurt: de gevangene heeft geen naam en geen leven meer, hij of zij heeft een nummer. Dat is genoeg. Het is makkelijk in te zien dat het vernederend is als iemand zegt: ‘Ik noem jou voortaan anders’. Die iemand heeft macht over je, de macht om je je naam af te pakken. In het klein is het al geweldig irritant als mensen je naam afkorten tot iets waar je niet van houdt. Ik heb ooit mensen gekend die elke naam met een ware hartstocht tot een korte koosnaam maakten, de hele wereld bestond ineens uit Pien en Gra en Juut en Ka, alleen Bobs, Toms, Tims en Pieten ontsnapten. Verschrikkelijk.

De passage in Genesis waarin Adam namen mag geven aan alle dieren om hem heen staat er ook niet voor niets. Die laat zien dat de mens er niet zo maar eentje is. Hij heeft macht. De macht om te benoemen. De dieren hebben maar af te wachten of ze een leeuw, een roodborst of een worm zullen blijken te zijn voortaan. „De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren”.

Als je aan al deze dingen denkt, aan hoeveel je naam voor je betekent, dan is het niet vreemd dat mensen na jaren onder een andere identiteit geleefd te hebben, zoals allerlei voormalige asielzoekers doen, hun eigen naam terug willen. Als het gevaar geweken is, is er ook geen reden meer om anders te heten. Dan wil je eindelijk wel weer zijn wie je bent, niet Jan Jacobs maar Jan Pieterse. En dan richten zulke mensen zich tot de gemeentelijke basisadministratie en ze zeggen: onze naam is eigenlijk anders, kunnen we dat veranderen? En ja hoor dat kan, reken maar. Maar die Jan Pieterse die kennen wij hier niet. Die is geen Nederlander geworden.

Is dat nu logisch?

Aan de ene kant denk je van wel: iemand die een valse naam opgeeft is niet degene die onder die naam bestaat, maar eigenlijk een ander. Dus als hij of zij onder die naam documenten verkregen heeft, dan zijn die documenten eigenlijk ook niet geldig.

Ik gebruik al twee keer het woord ‘eigenlijk’. Daar zit hem het verraderlijke in vermoedelijk. Want wat is ‘eigenlijk’ iemands identiteit? Zijn schrijvers die we uitsluitend of voornamelijk kennen onder hun pseudoniem ‘eigenlijk’ iemand anders? Is Jacq Vogelaar niet Jacq Vogelaar, Bernlef eigenlijk een ander, duiden we als we K. Schippers zeggen niet de man aan die de Librisprijs heeft gekregen voor zijn boek Waar was je nou? Zijn ze ‘eigenlijk’ de namen die staan ingeschreven bij de burgerlijke stand?

Tja. Dat onderscheid is moeilijk te maken.

Namen zijn heel ingewikkeld. Hoe mooi is het niet om als mensen er niet meer zijn hun naam nog te noemen – alsof ze dan toch nog weer even bestaan. Iedereen kijkt op als hij zijn eigen naam hoort, maar tegelijkertijd is je naam iets van anderen. Die naam is niet hoe je aan jezelf denkt. Maar het is altijd onaangenaam als iemand je naam verkeerd zegt, één van de meest voorkomende manieren om iemand te vernederen is het verhaspelen van zijn of haar naam.

Wij en die identiteit van ons. Waarom is het zo belangrijk, behalve om administratieve redenen? Waarom kunnen we niet gewoon zíjn?

Omdat we sociale wezens zijn natuurlijk. Woonde je in je eentje in het niks, had je geen naam nodig. Hoefde je je ook van niemand te onderscheiden.

„Call me Ismael.”

Rectificatie / Gerectificeerd

In de column van Marjoleine de Vos Call me Ismael (29 mei, pagina 7) is de openingsregel van Herman Melville’s Moby Dick verkeerd geciteerd. De verteller zegt niet ‘Call me Ismael’, maar ‘Call me Ishmael’. In de Nederlandse vertaling decreteert hij: ‘Noem mij Ismaël’.

    • Marjoleine de Vos