Zweer het dogma van groei af. We moeten matigen - in ons eigen belang en in dat van de armen

Is de tweedeling links-rechts achterhaald? Niet als je kijkt naar de discussie over groei, vooruitgang en globalisering. De armsten van de wereld betalen de prijs voor de groei waar wij van profiteren.

Met enige regelmaat hoor je verkondigen dat 'links' en 'rechts' als politieke plaatsbepalingen achterhaald zijn, niet meer geschikt als uitgangspunt voor een analyse en zeker niet voor een oplossing van de problemen waarmee moderne samenlevingen geconfronteerd worden. Vooral populistische politici wekken graag de indruk niet meer in die tweedeling te geloven. De suggestie is duidelijk: zelf staan zij buiten het Haagse 'spel' om de macht, een onschuldig klinkend woord dat voor velen niettemin is verbonden met de doortraptheid van de valsspeler, met gekonkelfoes en nepotisme. Als Rita Verdonk zegt niet links en niet rechts te zijn, maar - alsof dat een derde politieke categorie is - recht door zee, appelleert ze aan het wantrouwen van de geboren verliezer, die nooit anders heeft gedacht dan dat politici, van welke signatuur dan ook, vooral uit zijn op eigen voordeel.

Maar het zijn niet alleen populisten die af willen van de termen links en rechts. Ook in het half maart gepubliceerde stichtingspamflet van de politieke beweging 'Lux Voor', een samenwerkingsverband van jongeren uit diverse partijen, kunnen we lezen dat het ter wille van een 'nieuwe Doorbraak' nodig is die traditionele begrippen af te zweren.

Het zou nu gaan om een nieuwe tegenstelling, die tussen progressief en conservatief. Lux Voor ziet zichzelf als het vlaggenschip van die apolitieke, progressieve jongeren. Maar hun idealen, zo blijkt al gauw, worden in verrassend muffe taal opgediend. De jongelui willen dat de burgers 'weer trots kunnen zijn op hun land', ze willen Nederland 'laten meedraaien in de top van de mondialisering'. En dan kun je de rest wel raden: de verzorgingsstaat dient nog grondiger te worden afgebroken, want die weerhoudt burgers ervan 'zichzelf te ontplooien, kennis en expertise te vergaren en die over te dragen'.

Zo nieuw is dit programma dus niet. En progressief is het allerminst, tenzij men de loutere dynamisering van 'onze' economie als zodanig wenst te betitelen. Wat de samenstellers verenigt is het 'vurige geloof in vooruitgang' - over de dilemma's en de schaduwzijden daarvan geen woord, niet in eigen land, laat staan elders in de wereld. Dit pleidooi voor een 'sterke economie' ademt de geest van verwende kinderen uit een welvarend land voor wie de rest van de wereld alleen in beeld komt in de vorm van 'meedogenloze economische concurrenten als China, India en de VS'.

Het programma van Lux Voor maakt eerder de noodzaak dan de achterhaaldheid van een links perspectief duidelijk. Links beziet lokale, regionale en nationale problemen in hun veelvoudige, mondiale vervlechting, dus ook in relatie met problemen in minder bevoorrechte delen van de wereld. De versnelde economische globalisering van de laatste twee à drie decennia maakt zo'n mondiaal perspectief, waarbij rekening wordt gehouden met de rechten en belangen van in principe alle wereldburgers, onontkoombaar. En niet uit menslievendheid, maar uit wat liberalen zo graag het 'welbegrepen eigenbelang' noemen, al ziet dat er wat anders uit dan zij altijd gedacht hebben.

Het grootste probleem in de wereld is niet de al of niet stagnerende economie in Nederland of van een van de andere rijke industrielanden. Het grootste probleem is de mondiale tweedeling: ruim driekwart van de mensheid is buitengesloten van alle rijkdom en leeft zonder vooruitzicht op verbetering, een kwart van de wereldbevolking eigent zich driekwart van de energiebronnen toe. De veronderstelling dat onze verdere groei als vanzelf de arme landen tot ontwikkeling zou brengen, dat de arme landen gebaat zouden zijn bij een aansluiting op het economische wereldsysteem, is niet bewaarheid. Het tegendeel blijkt eerder waar: de explosieve economische groei van het Noorden heeft, grosso modo, niet de welvaart maar de afhankelijkheid en de machteloosheid van het Zuiden vergroot.

In werkelijkheid, wat dichter op de feiten, is het beeld natuurlijk complexer. De polarisering van rijk en arm vindt niet alleen plaats tussen de diverse landen, maar ook in die landen. Dat geldt ook voor de rijke landen: de Derde Wereld bevindt zich niet meer alleen ver weg, op veilige afstand, ze maakt nu ook deel uit van onze metropolen. Zo erg als in de VS, waar ruim tien procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft (en waar de daardoor veroorzaakte onvrede niet met sociale programma's maar met repressieve middelen wordt bestreden; er zitten verhoudingsgewijs tien maal zoveel mensen in de gevangenis als in Europa, vaak zonder behoorlijke procesgang), zo erg is het in de Europese steden nog niet, maar de situatie in Parijs, Lyon en Marseille is hoogst explosief, en de veronderstelling dat uitbarstingen als in Frankrijk hier zijn uitgesloten is gebaseerd op wensdenken.

Het kan nauwelijks anders: de krenkende discriminatie van vooral arme, gekleurde landgenoten op de arbeids- en woningmarkt moet wrok veroorzaken die te gelegener tijd op een gevaarlijke manier tot ontlading kan komen.

Ook het begrip 'arme landen' moet worden gedifferentieerd. Landen als China, India en Brazilië hebben inderdaad een sterk groeiende economie, maar die groei komt slechts een klein deel van de stedelijke bevolking ten goede. Intern is de polarisatie het laatste decennium alleen maar sterk toegenomen. In China bij voorbeeld concentreren de groei en de welvaart zich in de miljoenensteden aan de oostkust, de situatie van de bevolking in het immense binnenland blijft daarbij ver achter.

Overigens wijst veel erop dat de angst voor het 'meedogenloze' China en India in de industrielanden kunstmatig wordt aangewakkerd om in eigen huis draconische maatregelen te legitimeren ter 'prikkeling' van de armen, die immers - als we Mark Rutte mogen geloven - alleen door ze voor 50 tot 70 procent van het minimumloon de arbeidsmarkt 'op te sleuren' uit 'de cultuur van achteroverleunen' gehaald kunnen worden. De werkelijkheid is dat China en India nog vele tientallen jaren zo moeten blijven groeien als het laatste decennium om het huidige inkomensniveau van de VS te halen. Om over de situatie buiten de groeilanden nog maar te zwijgen - het grootste deel van de Derde Wereld wordt sinds enkele decennia geconfronteerd met een hopeloze achteruitgang.

De retorische fixatie op landen is, kortom, bedrieglijk. In de 19de eeuw, en ook nog in de vroege 20ste, lag dat anders. Nationale staten schiepen de voorwaarden voor een nationale economie, dus een economie die produceerde voor het eigen gebruik en slechts marginaal voor de export. Dat is nu drastisch veranderd. Het transnationale kapitaal heeft lak aan nationale grenzen en onttrekt zich aan controle door wie dan ook. Nu doet zich het curieuze feit voor dat rechts de individuele slachtoffers zelf verantwoordelijk houdt voor de ellende en de armoede waar ze door ongecontroleerde wereldwijde ontwikkelingen, of liever: door wereldwijde machtstegenstellingen, in terecht zijn gekomen.

Rechts weigert in te zien dat de almaar groeiende rijkdom van de een niet alleen gepaard gaat met de ellende van de ander, maar daar zelfs in hoge mate de structurele oorzaak daarvan is. Rechts spreekt met een militair eufemisme liefst van collateral damage als er bijvoorbeeld ten behoeve van industriële centra een stuwdam wordt aangelegd die miljoenen mensen afsnijdt van hun natuurlijke watervoorziening. Zelden of nooit doet rechts een beroep op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). 'Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon', luidt artikel 3, maar dat recht wordt op grote schaal met voeten getreden zolang de rijken niet beseffen dat hun excessieve aanspraken op grondstoffen direct ten koste gaan van de bestaansrechten van de armen.

Het westerse ontwikkelingsmodel is onder zeer bijzondere, niet herhaalbare historische omstandigheden tot stand gekomen, voor een groot deel dankzij de gewelddadige verovering en uitbuiting van de rest van de wereld. De recente geschiedenis toont ten overvloede aan dat dit ontwikkelingsmodel niet veralgemeenbaar is op mondiale schaal. De rijke landen - inclusief de Wereldbank - doen er weliswaar alles aan om ook de arme landen tot grootschalige, op de export georiënteerde economieën te dwingen - bijvoorbeeld door de aanleg van een gigantisch autowegennet in China en India te subsidiëren - maar het is alleen al om ecologische redenen uitgesloten dat de aarde bestand zou zijn tegen een miljard autorijdende Chinezen.

China is nu al - na de VS - de grootste olie-importeur ter wereld, en zorgt ook - weer na de VS - voor de hoogste CO2-uitstoot. Zo gaat de economische groei in China niet alleen gepaard met een stijging van de olieprijzen (plus zowat die van alle andere grondstoffen) en dus met een grotere kloof met de echt arme landen, maar draagt het land bovendien buitensporig bij aan de opwarming, hoewel het, evenals de VS, het Verdrag van Kyoto weigerde te ondertekenen. Het betrouwbaarste onderzoek toont aan dat de wereldwijde temperatuurstijging in 2050 bij een ongeremde CO2-uitstoot twee graden zal bedragen, waarvan de desastreuze gevolgen in eerste instantie in de arme zuidelijke landen merkbaar zullen zijn. In de deltagebieden van China, Nigeria, Bangladesh en elders worden 25 miljoen mensen door overstroming bedreigd, en tussen de twee- en driehonderd miljoen mensen door een fataal tekort aan water. Nu al heeft meer dan een miljard mensen te kampen met een ernstig gebrek aan behoorlijk drinkwater, een situatie die de komende jaren nog aanzienlijk zal verslechteren.

Wij, weldoorvoede westerlingen, halen onze schouders op bij het zien van alweer een nieuwe natuurramp, elkaar uitroeiende stammen of vluchtende mensenmassa's. We klagen het lot aan dat die mensen klimatologisch zo slecht heeft bedeeld, we schudden ons hoofd over de wreedheid. Maar één ding willen we liever niet: erop gewezen worden dat al die mensonterende omstandigheden mede veroorzaakt zijn door een sociale, culturele, economische en ecologische ontwrichting van grote delen van de arme wereld die voor onze rekening komt. Liefst maken we onszelf wijs dat wij onze rijkdommen te danken hebben aan onze superieure techniek en onze roemrijke ondernemingsgeest. In werkelijkheid zijn wij al eeuwen lang de profiteurs van de globalisering. De kosten worden door de armen opgebracht.

Een concreet voorbeeld, ontleend aan een recent rapport van het Instituut voor klimaat, milieu en energie te Wuppertal: het Filippijnse eiland Mindanao. Vroeger werden daar rijst en maïs voor eigen gebruik en voor de binnenlandse markt verbouwd. Op dit moment is vijftig procent van de benutbare oppervlakte in handen van buitenlandse ondernemingen die het land uitputten met monoculturen van onder meer ananas (Delmonte), bananen (Dole), koffie (Nestlé) en kokos (Mars) voor de export naar de rijke landen. De oorspronkelijke kleine boeren werden van hun land verdreven of gedwongen hun land te verpachten, en voor zover ze werk konden vinden in de conservenfabrieken, werden ze doorgaans zo slecht betaald dat ze er niet van konden leven. Bovendien werd hun de mogelijkheid ontnomen voor eigen gebruik voedsel te verbouwen, te jagen of te vissen. Ondervoeding op grote schaal was het gevolg. En dus kon migratie niet uitblijven.

Mindanao is exemplarisch voor grote delen van de Derde Wereld. Bijna alle arme landen worden gedwongen te produceren voor de export, terwijl ze voor hun eigen elementaire voedselvoorziening (graan) in toenemende mate zijn aangewezen op import. Door de armoede en de sociale en culturele ontworteling raken hele bevolkingen op drift, een klein deel waagt de vlucht naar het Noorden, het grootste deel belandt in de slums van de uit hun voegen barstende miljoenensteden van het Zuiden. Daar profiteren rijke ondernemingen, die ook al verantwoordelijk waren voor hun vlucht, van hun goedkope arbeidskracht, hun diensten en waren. Gedwongen migratie is zodoende niet alleen een gevolg maar ook een voorwaarde voor verdere concentratie van kapitaal. Je kunt ook zeggen: voor de groei van 'onze' economie.

Van die verbanden willen profeten van de groei niets weten. Maar zij niet alleen, het geldt ook voor veel postmoderne filosofen. Ook zij leggen vaak een ergerlijke desinteresse aan de dag voor de slachtoffers van de globalisering. Zij hebben de neiging menselijke ellende, vanuit de leunstoel, te esthetiseren. Niet alleen de Weense operettecomponist, ook de 19de-eeuwse Parijse avant-gardist zag veel moois in het zigeunerleven, ja, ook hij was bohémien. In recenter tijden dweepte men net zo werkelijkheidsvreemd met nomaden, mooi dat die aan geen plek of identiteit gebonden waren. Nee, maar hoe cynisch is het om dit als een voorrecht te zien!

Volgens schattingen van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR zijn er op dit moment 22 miljoen vluchtelingen, exclusief de 4 miljoen Palestijnse en diverse miljoenen andere etnische vluchtelingen zonder eigen land. Zij leiden een - inderdaad - identiteitsloos, stateloos en volledig rechteloos bestaan in enorme kampen en de almaar uitdijende afvalranden van de global cities, ze worden door de rijke landen als economische migranten, dus als profiteurs van onze welvaart gezien en dus als criminelen behandeld en teruggestuurd naar het land van herkomst, waar ze nu juist van alle bestaansmiddelen en bestaanzekerheid waren beroofd. Zij zijn het afval van de globalisering. En zoals we ons industriële en consumptieafval al naar dumpgebieden in arme landen afvoeren, zo moet ook het menselijke afval, de hoopgevende Verklaring van de Rechten van de Mens ten spijt, liefst op de vuilnisbelten dichtbij huis worden gegooid. Zo wordt de indruk in stand gehouden dat wij, de rijke landen, op geen enkele manier verantwoordelijk zijn voor het lot van deze mensen.

Nog altijd zijn ongeveer twee miljard mensen, ofwel eenderde van de wereldbevolking, voor hun bestaan afhankelijk van de onbelemmerde toegang tot de natuur. Zij betrekken hun voedsel, hun kleding, hun bouwstoffen, hun medicijnen uit de directe leefomgeving. Ook hun traditionele sociale en culturele identiteit is zonder de velden, de wouden, de rivieren en de meren waarin en waarvan ze leven, ondenkbaar. Van hen zouden wij kunnen leren - en op talloze plaatsen gebeurt dat ook - hoe je met de natuur kunt omgaan zonder roofbouw te plegen. Mensenrechten en natuurbescherming gaan hand in hand. Maar in de ongecontroleerde commandocentra van het transnationale financiële kapitaal, dat altijd alleen is gericht op het eigen kortetermijnbelang, heeft men daarvoor geen enkele belangstelling. Dat kan buitengewoon ernstige gevolgen hebben. Als wij onze economie op de gebruikelijke manier willen laten groeien, met de oogkleppen op, alsof we over een onuitputtelijke biosfeer beschikken, richten we niet alleen onherstelbare ecologische schade aan, maar zal ook het aantal ontheemden groeien en zullen er overal op de wereld vrijwel onbeheersbare conflicten en oorlogen ontstaan. Nu al speelt daarbij de toegang tot (en het betwistbare recht op) fossiele én levende grondstoffen een eminente rol; nagenoeg elk conflict is óók een grondstoffenconflict, hoezeer het ook mag worden toegeschreven aan langdurige droogte of een eeuwenoude stammenrivaliteit, aan een wrede dictator of massavernietigingswapens.

Steeds duidelijker wordt dat een min of meer veilige wereld ondenkbaar is zonder een min of meer rechtvaardige wereld. En daarvan raken we steeds verder verwijderd. Met paternalistische ontwikkelingshulp zijn de armen niet geholpen. Er is maar één middel: eerlijke handel. De rijke landen zullen de arme landen het recht op een eigen ontwikkeling moeten toestaan in plaats van ze, zoals nu onder supervisie van de Wereldhandelsorganistatie WTO het geval is, te dwingen zich te schikken in een regeling van een wereldwijde 'vrije' handel die de rijke landen systematisch bevoordeelt en de arme landen even systematisch benadeelt.

En ja, een rechtvaardige wereld is ook ondenkbaar als het rijke deel zijn vraatzucht niet weet in te tomen. We zullen onze economie niet alleen efficiënter en 'slimmer' moeten organiseren, we zullen vooral moeten leren met minder toe te komen. We zullen het niet langer normaal moeten vinden dat we onze tafels elk seizoen met exquise zuidvruchten overladen, dat we onze boodschappen per Landrover doen, dat we elk half jaar voor 800 euro twee weken naar Thailand of Bali vliegen. De rechten van de armen impliceren plichten voor de rijken. We zullen moeten matigen. We zullen de oudchristelijke en humanistische deugd van de matigheid in ere moeten herstellen, ja, om het in de pseudo-ethische taal van de 'nieuwe politiek' te zeggen, we zullen matigheid tot 'kernwaarde' moeten promoveren. Dat zou de essentie moeten zijn van ons zogenoemde welbegrepen eigenbelang.

Van de VVD hoeven we in dit opzicht niets te verwachten. Ben Verwaayen, een van de auteurs van het verkiezingsprogramma van de VVD, verkneukelt zich al bij de gedachte dat hij straks, na de succesvolle 'verbouwing' van de VUT, de WAO en de bijstand door het huidige kabinet, de verzorgingsstaat nog verder gaat afbreken en 'de fiscaliteit onder handen (gaat) nemen', want Nederland is ingeslapen en het wordt tijd 'lef voor scherpe keuzes' te tonen. Met zoveel verwoestend elan verliest Lux Voor elke bestaansreden. Verwaayen gebaart als een zelfbenoemde Messias, maar hij heeft niet het geringste besef van de problemen in de wereld, laat staan van de mate waarin 'topmannen' van zijn moedige, om niet te zeggen overmoedige slag daar verantwoordelijk voor zijn.

Minister van Economische Zaken Brinkhorst heeft soortgelijke opvattingen, maar hij verpakt ze wat ethischer. Hij doet het allemaal niet voor zichzelf, zegt hij, groei is noodzakelijk voor 'onze kleinkinderen'. Kennelijk gaat hij ervan uit dat een toename van levensgeluk, ook boven een hoog welstandsniveau als het 'onze', nog altijd correleert met meer geld, meer materiële welvaart, meer bestedingsmogelijkheden - een even gemakkelijk weerlegbare als primitieve opvatting.

Maar ronduit beschamend is de exclusiviteit van de generositeit van Brinkhorst. Zijn financiële bekommernis om 'onze kleinkinderen' steekt schril af tegen zijn gebrek aan belangstelling voor de miljoenen kinderen die nu in uitzichtloze, door anderen veroorzaakte ellende leven. Toch zullen ook ónze kleinkinderen, als het aan Verwaayen of Brinkhorst ligt, niet te benijden zijn. Ze zullen zich steeds verder moeten ingraven om zich de gekrenkte misdeelden van het lijf te houden. De angst en de schaamte die daarmee gepaard gaan - dat lijkt me eerder iets waar we hen voor zouden moeten behoeden.

www.nrc.nl/opinie:- Paul de Beer: 'De Europese betogers hebben gelijk: geluk is belangrijker dan geld' (Opinie & Debat 8 april)- Reactie L.J. Brinkhorst (Opinie & Debat 15 april)

Schrijver en essayist. Onlangs verscheen van hem het essay 'Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder'.

    • Cyrille Offermans