Wachten op doorbraak van nieuw tennistalent

Morgen begint het grandslamtoernooi Roland Garros met hooguit twee Nederlandse mannen. Voor het eerst in jaren staat er geen Nederlandse tennisser in de tophonderd. Crisis of een dip?

Het is amper drie jaar geleden dat Martin Verkerk met zijn tennisspel in Parijs voor euforie zorgde van Aardenburg tot Rottumerplaat. Zijn indrukwekkende reeks kwam pas tot een einde in een eenzijdige finale, waarin hij in drie sets kansloos was tegen de Spaanse gravelspecialist Juan Carlos Ferrero. Verkerk had zijn fifteen minutes of fame; een schouderblessure en de ziekte van Pfeiffer zorgden ervoor dat hij ondertussen is afgezakt naar plaats 1.954 op de wereldranglijst.

Voor het eerst in vijftien jaar staat geen enkele tennisser uit Nederland in de tophonderd. Melle van Gemerden , die vandaag nog tegen de Italiaan Stefano Galvani een plaats in het hoofdtoernooi probeert te bereiken, is de hoogst gerangschikte Nederlander op plaats 108. Raemon Sluiter, wel al zeker van de hoofdtabel, staat op 117. 'Dat is op zich geen reden om te spreken van een crisis. Maar ons tennis verkeert wel in een dip. Een serieuze dip', meent Tjerk Bogtstra, de captain van het Davis Cup-team.

De blessures van Verkerk maar ook van Sjeng Schalken zijn uiteraard een deel van de verklaring. Maar dat zijn incidenten, weet ook Bogtstra. 'De lichting waar we het nu van moeten hebben zijn jongens van 27, 28 jaar. Daarna volgen een paar getalenteerde tieners en jonge twintigers. Maar we zitten dus met een gat van een jaar of acht. Dat is inderdaad structureel.'

De man die verantwoordelijk is voor de selectie van de Davis Cup-ploeg ziet ook niet snel een eenduidige verklaring. 'Als er een goeie reden zou zijn voor die dip, was er ook makkelijker een antwoord te verzinnen. Misschien moeten we het er maar op houden dat de aanwas van talent wat minder was in die jaren.'

'Je hebt altijd golfbewegingen', zegt tenniscoach Henk van Hulst, die onder meer Schalken begeleidde. 'Maar enkel aan de gemiddelden kan je zien of er goed wordt gewerkt, en ik kan echt niet zeggen dat er in Nederland slecht wordt gewerkt.'

Van Hulst, die in zijn privéschool in Valkenswaard al tientallen talenten voorbij zag komen, ziet wel enkele andere redenen voor de mindere periode die het Nederlandse tennis nu doormaakt. 'Je hebt niet alleen talent nodig, je moet er ook veel voor overhebben. De top bereiken kost doorzettingsvermogen, en daar is de jeugd toch wat moeilijker in nu. Ze haken veel te vroeg af.'

Er zit ook een financieel aspect aan de zaak, meent Van Hulst. 'Er is heel weinig soft sponsoring, de steun die je nodig hebt in die drie, vier jaar die een talent nodig heeft om de tophonderd te bereiken. Als nummer 300 krijg je weinig aandacht, terwijl tennis op dat moment veel geld kost, makkelijk 40.000 euro per jaar. Probeer dat maar eens op te hoesten zonder sponsoring. De echte talenten die komen er wel, maar voor een gemiddeld talent is het een lange en moeilijke weg. En ik denk echt dat het moeilijker is geworden dan vroeger.'

Volgens Hans Felius, technisch directeur van de tennisfederatie KNLTB, is de crisis achter de rug, als al sprake was van crisis. 'Een jaar of zes geleden zijn we opnieuw begonnen met de begeleiding van kinderen onder de twaalf jaar. Daar zie je nu bij de junioren de eerste resultaten van. Een paar van die jongeren zijn zeker in staat de tophonderd te halen. Zowel bij de mannen als de vrouwen.'

Felius merkte bij zijn aantreden in 1999 een felle concurrentie tussen verschillende coaches. 'We hebben toen de kreet 'Nederland tegen de rest' gelanceerd, en dat is toch aangeslagen. Bovendien zijn we ook met de spelers en speelsters van jonger dan twaalf weer de internationale competities gaan opzoeken, want dat is toch de maatstaf van alles, daar kan je zien of je gelijke tred houdt met het buitenland. En we hebben in de LOOT-scholen (Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport) het aantal trainingsuren aanzienlijk verhoogd. Ik heb in 1999 gezegd dat het voor de meisjes tot 2005 zou duren voor we de tophonderd zouden bereiken, en voor de jongens tot 2008. We zitten dus nog op schema.'

Ook Bogtstra, die zich in het verleden wel eens kritisch uitliet over de federatie, erkent dat er bij de jongeren heel wat talent zit. Robin Haase, Antal van der Duim (vorig jaar finalist op het juniorentoernooi in Parijs), Thiemo de Bakker, de nummer twee op de juniorenranking, Igor Sijsling, Jesse Huta-Galung, ze draaien allemaal behoorlijk goed mee. En bij de meisjes zijn er Renée Reinhard, de Europees kampioene onder veertien, Marit Boonstra, Bibiane Schoofs, Babs van Kampen. 'Dat is geen garantie voor succes', waarschuwt Bogtstra, 'maar het schept wel mogelijkheden. Ook de aanstelling van Rohan Goetzke als coach van Jong Oranje is een geel goede zaak, maar ook dat is nog geen garantie voor succes'.

Goetzke is de voormalige coach van Richard Krajicek, die tien jaar geleden het grastoernooi van Wimbledon won. Zijn halfzus Michaella is straks de grootste Nederlandse hoop op een bescheiden succes. De 17-jarige heeft een behoorlijke voorbereiding achter de rug en klom begin dit jaar tot plek 43 op de ranglijst. Voor de start van Roland Garros stond Krajicek 54ste. 'Michaella moet toch zeker een paar rondes verder kunnen komen', meent Bogtstra. 'Dat ze op die leeftijd al zo hoog op de ranking staat, is gewoon heel knap. Om haar zou ik me vooral geen zorgen maken.'