Trek ten strijde tegen de nieuwe verzuiling - weg met de rigide scheidslijn tussen jong en 'oud'

In Nederland worden mensen veel te vroeg oud verklaard. Er ontstaat een nieuwe verzuiling, op grond van leeftijd. Weg met het pensioen op 65-jarige leeftijd!

Het Nederlandse maatschappelijke bestel kent tal van op leeftijd gebaseerde stopregels. Hierdoor worden mensen op steeds jongere leeftijd 'oud' verklaard, terwijl de kansen op een lang en gezond leven nooit groter zijn geweest dan nu.

De maatschappelijke discussie over de vergrijzing van Nederland zit muurvast. Iedere burger voelt aan dat het groter wordende aandeel ouderen ingrijpende gevolgen heeft voor de inrichting van onze samenleving. Omdat de voorspellingen over de vergrijzing onheilspellende vormen aannemen, kan het politieke debat niet langer onderdrukt worden.

De problematiek wordt slechts door enkele dapperen aangeroerd, maar die worden daarvoor direct door hun kiezers afgestraft. De meerderheid van de politici wacht in de luwte af of de problemen zich spontaan oplossen.

Intussen kent het AOW-debat alleen maar verliezers. Jongeren verwijten ouderen dat zij niet bijdragen aan de oplossing van de problemen door alleen maar hun hand op te houden. Ouderen eisen mokkend hun recht op en voelen zich onheus bejegend. De discussie maakt een generatieconflict zichtbaar dat verder reikt dan de financiering van de AOW. De machtsbalans tussen jong en oud is verstoord.

Omdat over de vergrijzing voornamelijk in termen als 'onbetaalbaar' en 'onbeheersbaar' wordt gesproken en geschreven, heeft oud worden in Nederland een negatieve klank gekregen. Oude mensen heten in het politiek-economische debat 'niet-productief' en 'kostengenererend'. Dit economische oordeel heeft ernstige maatschappelijke bijwerkingen.

Omdat leeftijd, arbeidsmoraal en productiviteit zo onlosmakelijk met elkaar worden verbonden, wordt het onderscheid tussen 'jong' en 'oud' heel scherp, en onomkeerbaar. Wanneer deze boodschap eindeloos wordt herhaald, wordt het begrijpelijk en zelfs verdedigbaar dat de economische en politieke macht in handen moet zijn van jongeren.

Om dezelfde reden kunnen ouderen niet deelnemen aan de economische en politieke machtsstructuren, omdat zij daar tenslotte ook niet aan bijdragen. In plaats daarvan mogen ouderen hun macht laten blijken in de subculturen van Nederland, de vrijwilligersorganisaties, de ideële stichtingen en de Oranjeverenigingen.

Hoewel in de publieke opinie anders wordt gesuggereerd, staan wij in Nederland ver af van een gerontocratie waar ouderen het voor het zeggen hebben. Bij ons dienen ministers zich publiekelijk te verdedigen waarom zij na hun 65ste nog in functie zijn.

We voelen het anders en het is paradoxaal, maar de vergrijzing is het directe gevolg van de ongekende sociaal-economische vooruitgang die wij de afgelopen honderd jaar hebben geboekt. In deze periode is de gemiddelde leeftijd bij overlijden gestegen van 60 tot 80 jaar.

Ook worden mensen in Nederland steeds gezonder oud. De gezonde levensverwachting - het gemiddelde aantal jaren dat een pasgeborene zonder lichamelijke beperkingen tegemoet kan zien - neemt nog steeds toe.

De economische voorspoed ging ook gepaard met een daling van het gewenste kindertal. Kregen vrouwen in Nederland in 1950 gemiddeld nog 3,1 kinderen, in 1970 was dit aantal gedaald tot 2,6 en nu schommelt het cijfer rond de 1,6. De economische vooruitgang betekende voor ons een langer leven met minder kinderen, en na een periode van snelle bevolkingsgroei is de verwachting dat de omvang van de samenleving weer langzaam afneemt.

Deze 'dubbele' vergrijzing - minder kinderen die wel veel ouder worden - is niet uniek voor Nederland. Krimp van de bevolking wordt bijvoorbeeld ook verwacht in Italië, Duitsland en Japan, allemaal landen die worden gekenmerkt door economische voorspoed.

Het is een bekend gegeven dat het vruchtbaarheidscijfer, het gemiddeld aantal kinderen per vrouw, pas daalt wanneer ouders erop durven vertrouwen dat een kleiner aantal nakomelingen voldoende is om hen in de toekomst te kunnen verzorgen. Nu speelt in Nederland het omgekeerde sentiment. Wij zijn bang dat het aantal productieve mensen te klein is om ons op hoge leeftijd van gemak te voorzien.

In 1950 waren er in Nederland een miljoen mensen van 65 jaar en ouder. Dit aantal zal gestaag stijgen tot ruim drie miljoen in 2025 (grafiek). Het aantal 20- tot 65-jarigen, de zogeheten productieve leeftijdsgroep, stijgt in dezelfde periode van 6 naar 10 miljoen. Het aantal 0- tot 20-jarigen is stabiel op 4 miljoen.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent de verhouding tussen het aantal productieve en niet-productieve Nederlanders, en spreekt over de 'druk' die het niet-productieve deel van de samenleving op het productieve deel uitoefent. De 'grijze druk', de verhouding tussen de 65-jarigen en productieven, zal tussen 2005 en 2025 weliswaar verder toenemen tot 34 procent, maar de 'groene druk', de verhouding tussen de 0- tot 20-jarigen en productieven, zal afnemen tot 39 procent in 2025.

Met andere woorden: de verhouding tussen het aantal productieve en niet-productieve Nederlanders - het CBS spreekt van de 'totale druk' - zal niet wezenlijk veranderen. Daarom is het des te opmerkelijk waarom Nederland met een groot bruto nationaal product zoveel moeite heeft om de gevolgen van de dubbele vergrijzing op te vangen.

Er is ook een typisch Nederlandse oorzaak van de vergrijzing: een mens wordt bij ons op steeds jongere leeftijd oud verklaard. In tegenstelling tot de gezonde levensverwachting neemt de maatschappelijke levensverwachting - het gemiddelde aantal jaren dat een pasgeborene in aanzien tegemoet kan zien - steeds verder af.

Kon vroeger het bereiken van het vijftigste levensjaar nog als een verdienste worden beschouwd, tegenwoordig wordt met het aanbieden van een Abraham of Sara een kras in het zelfbewustzijn van de jarige gezet. Voor velen is het bereiken van het veertigste en soms zelfs het dertigste levensjaar al een eerste moment om over de zin van het leven te twijfelen. Vanuit een maatschappelijk perspectief wordt een mens in Nederland steeds eerder afgeschreven.

Helemaal onverwachts is deze ontwikkeling niet. Over de afgelopen decennia zijn de carrièretrajecten verder bekort. Ook de kans op reïntegratie in de arbeidsmarkt neemt na het veertigste jaar snel af. Het merendeel van de personeelsadvertenties werft mensen voor aanvulling van het 'jonge en dynamische team'. Voor vrouwen is er nog een extra complicatie: er moet in deze periode ook nog tijd gevonden worden om kinderen te krijgen.

Feit is dat in Nederland 'jong' en 'oud' zich los van elkaar organiseren en dat hierdoor de sociale cultuur bij jonge mensen zich volstrekt anders ontwikkelt dan bij oude mensen. Hierdoor groeien jong en oud steeds verder uit elkaar en wordt het zeer eenvoudig om kenmerken te vinden waarmee ouderen kunnen worden gestigmatiseerd.

Er is een op basis van leeftijd verzuilde samenleving ontstaan met een subcultuur voor ouderen. Het meest in het oog springende beeld is dat van de touringcar vol met ouden van dagen die op een doordeweekse dag de parkeerplaats van een wegrestaurant oprijdt. Dit beeld versterkt de zuilen van jong en oud: ouderen ondernemen activiteiten buiten de schoolvakanties, in de toeristische luwte en op momenten dat jongeren moeten werken.

Cynisch genoeg is deelname aan die eigen cultuur voor ouderen ook een noodzaak, omdat zij, eenmaal 'oud', hun persoonlijke identiteit moeten hervinden. De Amsterdamse emeritus hoogleraar sociologie Knipscheer - hij werd kort geleden wettelijk weggestuurd - spreekt in dit kader van de 'tweede adolescentie'. Het is voor een mens niet gemakkelijk om na het vertrek van de kinderen, het verlies van een arbeidzame positie en geëtiketteerd als AOW'er, de draad van het leven weer op te pakken.

Een willekeurige blik op het aanbod van televisie, tijdschriften en winkels maakt duidelijk dat de sociaal-culturele tweedeling volledig is, en uiting van de nieuwe verzuiling in Nederland. Het is een realiteit dat de trends, cultuur en het arbeidsethos vooral door de jongere generaties aan de samenleving wordt gedicteerd. Jong is 'vet' en oud is 'out'. Oud zijn omvat niet alleen de beperkingen van het oudere, beschadigde lichaam maar vooral ook het maatschappelijke oordeel, de uitstoting die daarmee gepaard gaat.

Vraag aan 85-jarigen of zij zichzelf oud vinden. Slechts een enkeling zegt ja, want zij die 'bekennen' zetten zich daarmee buiten spel. De stigmatisering van ouderen is onverbiddelijk. Aan 'bejaarden' hoeft niets te worden gevraagd en de inrichting van hun leven kan door systemen worden overgenomen.

Sommigen die zich niet oud voelen stellen zich krachtig teweer en werpen het negatieve maatschappelijke oordeel ver van zich af. Zij blijven met vuur hun leven exploiteren. Zij hebben lak aan de heersende kleding- en gedragcodes. Ook laten zij de stigmata van de hoge leeftijd door een cosmetisch chirurg verhelpen. En waarom ook niet?

Er is een grote maatschappelijke druk op de 55- tot 65-jarigen om plaats te maken voor jonge mensen en daarmee bij te dragen aan de noodzakelijk geachte personele doorstroming. Werkenden worden met regelingen gelokt om van het jonge werkende naar het oudere inactieve deel van de samenleving over te gaan.

Dit is ongewenst, omdat er bij een krimpende, ouder wordende bevolking een krapte op de arbeidsmarkt kan worden verwacht. De verhouding tussen werkenden en niet-werkenden moet dus in gunstige zin worden omgebogen door hen langer voor het arbeidsproces te behouden.

Maar tientallen jaren van indoctrinatie doet de 55-jarige uitzien naar een vroege uittreding met behoud van een aanzienlijk inkomen. De overheid ontplooit omvangrijke initiatieven om de arbeidsparticipatie op hoge leeftijd te verbeteren, maar het idee van de verworven rechten laat zich niet gemakkelijk uitwissen.

De heftige reacties op een afschaffing van de FPU-regeling (de vroegpensioenregeling voor deelnemers van het ABP), of een verhoging van pensioengerechtigde leeftijd zijn hier uiting van. Veel van de louter op leeftijd gebaseerde regelingen zullen nog moeten worden geslecht, veel van de maatschappelijke rituelen zullen moeten worden ontmoedigd.

De overheid zal hier actief beleid op moeten inzetten. Daarin past niet dat Binnenlandse Zaken in 2004 een grote reorganisatie op zijn departement inluidt met een massaal ontslag van 55- tot 65-jarigen.

Om in de voormalige Sovjet-Unie maximale economische vooruitgang te boeken, werden mensen zo lang mogelijk bij het arbeidsproces betrokken. Een gevolg daarvan was dat pensionering, anders dan in andere landen, werd geassocieerd met respect en senioriteit.

Jolande Sap, directeur van het Expertisecentrum LEEFtijd, breekt een lans voor de afschaffing van de AOW als leeftijdsafhankelijke oudedagsvoorziening en bepleit dat op een andere wijze een fundament voor de sociale zekerheid gelegd wordt. De redenering is dat door het ontbreken van een op leeftijd gebaseerd uitkerings- of verzekeringsstelsel de prikkel wordt weggenomen om al geruime tijd voor de 65-jarige leeftijd uit het arbeidsproces te treden. Hierdoor wordt de arbeidsparticipatie op hogere leeftijd gestimuleerd.

Wellicht belangrijker dan het effect op de arbeidsparticipatie is het signaal dat met deze maatregel naar de samenleving wordt uitgezonden. Wanneer de 65-jarige leeftijd als pensioengerechtigde leeftijd wordt afgeschaft, vervalt daarmee een onderscheidend kenmerk tussen werkenden en niet-werkenden. Daarmee vervalt tegelijkertijd de vaste koppeling tussen arbeidsmoraal en leeftijd, die zo belangrijk is voor het onderhouden van de tweedeling tussen 'jong' en 'oud'. Dat betekent eveneens dat het fundament van onze op basis van leeftijd verzuilde samenleving geslecht wordt.

Door de economische vooruitgang van de afgelopen decennia wordt het recht op een AOW-uitkering vanuit een sociaal-maatschappelijk standpunt steeds minder noodzakelijk. Vanzelfsprekend zal ook in de toekomst een deel van de ouderen op de samenleving moeten terugvallen, omdat zij onvoldoende eigen inkomsten hebben. Maar tegelijkertijd spelen in toenemende mate de nadelen van de strikte pensioengerechtigde leeftijd op. De 65-jarige leeftijd is immers de verbeelding van de onaantastbare scheiding tussen jong en oud, werkend en niet werkend, en tussen economisch productief en van de samenleving afhankelijk.

Ouderen zouden de discussie over de AOW met beide handen moeten aangrijpen door oplossingen aan te dragen die economisch én maatschappelijk recht doen aan de belangen van jong en oud.

Ongetwijfeld wordt de naar leeftijd verzuilde samenleving mede in stand gehouden door zogenoemde cohorteffecten. De verschillen tussen jong en oud zijn immers mede terug te voeren op de verschillende maatschappelijke omstandigheden waaronder de jonge en oude mensen zijn geboren en opgevoed.

Zonder uitzondering hebben de ouderen van nu ofwel de crisis in de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog, en/of de sobere jaren vijftig meegemaakt. Bijna zonder uitzondering vertellen oude mensen dat dit nog steeds een grote invloed heeft op de invulling van hun huidige leven. Zij die eerder oorlog en gebrek hebben meegemaakt, zijn gemakkelijker in staat om met weinig genoegen te nemen en duiden overvloedige levensomstandigheden sneller als een vorm van decadentie. Ook accepteren zij bestaande machtsverhoudingen vaker, ook al zijn die onrechtmatig.

Hoe anders zullen de kinderen uit de naoorlogse geboortegolf zich in de toekomst gedragen. Niemand die het echt weet, maar wellicht waren de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw daarvan een voorproefje. Tegen de tijd dat zij een hoge leeftijd hebben bereikt - ze gaan nú al bijna met pensioen - zal deze naoorlogse generatie voor een tweede maal ontzuiling afdwingen. Ditmaal willen zij met de jongere generatie de macht delen.

46 jaar, hoogleraar ouderengeneeskunde in het Leids Universitair Medisch Centrum en auteur van 'Buiten spel? De kunst van het oud worden'.

De gegevens van het CBS zijn tot 2006 gebaseerd op de werkelijke getallen, daarna op toekomstverwachtingen. Vergrijzing maakt druk op werkenden groter NRC Handelsblad 270506 / RL / Bron: CBS