Onafhankelijke blik op huidige onderwijs nodig

In zijn column in NRC Handelsblad van 27 april maakt de heer Heldring zich spreekbuis van een aanzienlijke groep Nederlanders die zich ernstig zorgen maakt over de kwaliteit van ons huidige onderwijssysteem. De teneur van zijn beschouwing is daarom zo deprimerend waar hij constateert dat zich eigenlijk geen uitweg uit de alom gevoelde patstelling aandient. Daarom waag ik een poging om aan te geven hoe men misschien eenbegaanbare weg kan bewandelen om tot een bevredigende verbetering te geraken.

De heer Heldring stelt vast dat de politiek in de laatste decennia er niet in geslaagd is een perspectief te bieden waarbij sprake is van kwaliteitshandhaving, laat staan van kwaliteitstoename van ons onderwijs in de diverse geledingen. Zeer regelmatig worden we verrast door onthutsende gegevens over de toestand van het onderwijs.

Telkens worden dan weer ad hoc-maatregelen getroffen, die bedoeld zijn het geconstateerde manco te doen verdwijnen. Het blijft echter `ein Kurieren am Symptom`. De politieke gezagsdragers zijn kennelijk niet in staat een vertrouwenwekkend perspectief te bieden.

Bij een dergelijke constatering is het gebruikelijk te denken aan een parlementaire enquêtecommissie, die de diverse feilen kan blootleggen en mogelijke verbeteringen kan aangeven. Echter in dit bijzondere geval van het onderwijs lijkt mij dit niet aanbevelenswaardig. Diverse politieke fracties in de Tweede Kamer zijn sterk gecommitteerd aan het vigerende onderwijssysteem. Men kan dus nauwelijks hopen op een onbevangen analyse. Ook diverse adviesorganen van de overheid zijn misschien toch wel wat te veel gepreoccupeerd door politieke vooroordelen.

Waar mijns inziens behoefte aan is, is een nadrukkelijk onafhankelijke blik op ons huidige onderwijs, waarbij een omvattende vergelijking met andere hoogontwikkelde landen zeer gewenst is.

Een orgaan dat hier voor aan te bevelen is, is de OESO, een organisatie die gewend is op diverse terreinen landenstudies te verrichten waarbij onafhankelijkheid en deskundigheid zeker verwacht mogen worden. Na het uitbrengen van een rapport met aanbevelingen is het raamwerk geschapen dat zich leent voor commentaar van vele betrokkenen.

Een dergelijk OESO-rapport dient uit te monden in een regeringsstandpunt, waarna de Kamer aan bod kan komen. Op deze wijze is het wellicht mogelijk een vertrouwenwekkend perspectief voor de naaste toekomst van ons onderwijs te ontwerpen.

Het verdient aanbeveling het hoger onderwijs in eerste instantie buiten de voorgestelde exercitie te houden, met dien verstande dat de kwaliteit van de lerarenopleiding wel meegenomen wordt, aangezien ook daar onlangs nog echte gebreken aan het licht gekomen zijn. Het hoger onderwijs kan vervolgens in een tweede exercitie onder de loep genomen worden.