Oerol voelen betekent gevaar voor alle partijen

Slecht weer is op Oerol eigenlijk mooi weer. De artiesten hebben er misschien onder te lijden maar het publiek ervaart juist dan het Oerolgevoel dat heel groot maar ook heel klein kan zijn – en vergeten doe je het nooit.

Joyce Roodnat

Als Oerol over Terschelling raast, is het eigenlijk altijd mooi weer. Ook als het slecht weer is.

En het weer kan er bar slecht zijn. Vorig jaar nog zag ik hoe een door de kou bevangen meneer werd warm gewreven door zijn vrouw. Het was na afloop van een voorstelling die De Groote Storm heette. Heel toepasselijk want stormen deed het, die avond. We zaten onbeschut aan de rand van de waddenkust, pal in de wind, die zijn gang ging zonder tussenkomst van ook maar een rijtje bomen of een duin. Er werd ook geregend, met nijdige buien. De acteurs hadden het zwaar, maar die mochten tenminste nog rennen en bewegen. Als ze niet aan zet waren, doken ze weg onder een zeil. Het publiek zat stil op de tribunes. Het was het moment om dicht tegen je buren aan te kruipen, of je ze nou kende of niet.

Liep er iemand weg? Niet dat ik heb gezien. Want koud en nat zagen we een daverende voorstelling, die eigenlijk dankzij dat smerige weer des te beter tot zijn recht kwam. En dan wordt er niet geklaagd. Dan rechten wij onze rug want we genieten.

Slecht weer is vaak juist mooi weer, op Oerol. Meestal hebben de artiesten er meer onder te lijden dan het publiek. Ik denk aan de trapeze-kunstenaars van Les Arts Sauts, bij windkracht zes in vervaarlijk zwiepende stellages boven de toppen van de dennen. Ik denk aan de danseressen die in en uit een rij gevulde badkuipen bewogen, bij een temperatuur van een graad of tien. Ik denk aan het blauwige vel van de acteurs die Woyzeck en zijn Marie speelden, naakt aan het strand in zwepend zand.

Heel warm is net zo snerpend als heel koud. Aan de rand van een snikheet gravelveldje in de duinen vergaapte ik me duizelend van de hitte aan dansers uit de wind en vol in de zon. Of die keer op een open plek in het bos, midden op de dag. Daar werd de zomerhitte weerkaatst door een veldje kunstgras. De dansers droegen strakke plastic kostuums, zelfs plastic pruiken. Ze stikten niet, ze gingen door, eens zo roekeloos.

Allemaal weergaloze voorstellingen, met de weersomstandigheden als cruciale factor.

De natuur is wreed – wie het Oerol Festival bezoekt maakt dat steeds weer mee. Behalve met lastig weer moet er worden omgegaan met het landschap. De Oerolganger befietst dat, soms tegen de wind in, soms over een afstand van kilometers. Eenmaal gearriveerd in het juiste weiland, op de bewuste duintop, aan de bedoelde dijk of in het aangewezen bos, ziet hij altijd een gevecht. Want een voorstelling in een mooie omgeving is niet vanzelf mooi, soms gooit juist die omgeving de boel faliekant in het honderd. Zoals bij de groep die een knip- en plakversie van een klassieke tekst ten beste gaf in het bos. Wij keken braaf naar hen (tot we weg begonnen te lopen), maar we zagen vooral dat bos.

Meesterlijk bos.

Dodelijke voorstelling.

De acteurs smolten weg bij de majesteit van licht en bomen. In de beschutting van het theater was wat ze deden misschien nog aardig geweest, hier legden ze het desastreus af.

Er moet strijd geleverd worden, door de regisseur en de acteurs. Strategie is noodzaak. Het is een kwestie van besluipen en veroveren. Dat betekent voor het publiek dat het om vier uur ’s morgens een voorstelling gaat bekijken of dat het aan boord van een coaster gaat, alles met het risico van verloren moeite.

Echter, wint de voorstelling de slag, dan ervaart het publiek iets dat het niet meer vergeet. Dat iets kan groots zijn, of stapelgek – zo zie ik nog altijd voor me hoe de leden van de groep Growing Up in Public in een krankzinnige voorstelling over Hollandse helden (van Johnny Jordaan tot Willem Barentsz) letterlijk een duik in de bosjes namen als ze behoefte hadden aan coulissen.

Maar het Oerolgevoel kan ook klein zijn, intiem, dichtbij. Want het biedt het zogenoemde schuurtjestheater, voorstellingen in een stal of een verlaten kroeg. Je zit op geïmproviseerde banken, op hooibalen, op een plank. De acteurs komen ongekend dicht bij jou, jij zit ongekend dicht bij hen. Dat betekent dat de imaginaire glazen wand tussen toeschouwers en spelers niet altijd wordt gerespecteerd, bij gebrek aan afstand. Wij, publiek en acteurs, zien elkaar. Dat weten wij van elkaar en dat betekent gevaar voor alle partijen. De intimiteit wordt vervaarlijk. Op het Oerol Festival wordt daar gretig op ingespeeld, maar dan met de intimiteit als een soort decorstuk. Uiteindelijk negeren de theatermakers toch het publiek, zoals dat hoort.

Die ene keer liep dat verkeerd, in die schuur bij de camping. Dat de drie jonge actrices de onmacht van hun personages gestalte gaven door in die nauwe schuur volledig uit de kleren te gaan, was geen ordinair effectbejag. Het stond borg voor een schitterend theatraal moment. Het publiek reageerde met een navenant diepe stilte.

De fotograaf van NRC Handelsblad was ook onder de indruk, en dus deed hij zijn werk: hij maakte foto’s. Klik-klik-klik. KLIK-KLIK. Zijn camerasluiter had het effect van een ratelende mitrailleur.

Er gebeurde niets buiten de orde. Niemand deed iets buitensporigs. De actrices speelden een mooie voorstelling, de fotograaf maakte mooie foto’s op een sleutelmoment. In een normale zaal was er niets aan de hand geweest. Maar hier kon men niet om elkaar heen. Er ontstond eerst chaos en toen een draaikolk waarin het complete publiek verdween samen met de actrices en de fotograaf. Ineens drong het tot iedereen door dat men dezelfde lucht inademde. Ineens rook men elkaars zweet, voelde men zich een voyeur. Tegen alle afspraken in waren de partijen zich bewust van elkaar. Ze konden niet anders. De camera had de mythe van de scheidingswand vergruizeld. Schijn en werkelijkheid versmolten met elkaar, de fotograaf kreeg bij de uitgang zijn vet van de moeder van een van de actrices en och heden, wat was iedereen over en weer beschaamd.

Maar geloof me: alles bij elkaar was dit geniaal theater.

Alleen op Oerol.