Museum stelt zelf illegale kunst ter discussie

Het Afrika Museum gaat morgen, na een renovatie, weer open. Er is nu ook aandacht voor de herkomst van kunstwerken. En als de Nigerianen straks geroofde topkunst opeisen? 'Dan zeg ik: gaan jullie eerst maar eens naar het British Museum.'

Het gerenoveerde Afrika Museum in Berg en Dal bij Nijmegen: de nieuwe vleugel Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold nijmegen afrika museum nieuwe vleugel foto rien zilvold Zilvold, Rien

Het meest omstreden stuk staat pontificaal tegenover de nieuwe ingang. Een aardewerken Nok-kop. Het heeft een hoog voorhoofd, volle lippen en prachtige, fijne gelaatstrekken. En het is geroofd.

Het Afrika Museum in Berg en Dal stal het beeld niet, maar kreeg het via een schenking in zijn bezit. De schenking werd direct gemeld aan de Nigeriaanse ambassade, maar die reageerde niet, zegt museumdirectrice Ineke Eisenburger.

Eisenburger besloot tenslotte het beeld te exposeren - tot de Nigerianen zich melden. En dat is een omstreden beslissing. Want Nok-aardewerk prijkt op de lijst van illegaal opgegraven Afrikaanse archeologische stukken. Britse militairen roofden het uit het paleis van de stadsstaat Benin, Nigeria, tijdens een strafexpeditie in 1897. Een deel van de buit ging naar het British Museum, waar die nog altijd is; de rest werd verkocht aan Europese verzamelaars en musea. Benins pogingen om zijn eigendommen terug te krijgen, zijn vooralsnog gestrand.

De herkomst en teruggave van kunstvoorwerpen staat niet alleen in het Afrika Museum ter discussie - al is de instelling wel het eerste museum dat deze discussie tot onderdeel van de vaste collectie maakt. Italië, Griekenland en Egypte maken al langer jacht op illegaal opgegraven kunststukken. Vooral Italië boekt daarbij succes; het Metropolitan Museum of Arts in New York gaf onlangs 21 gestolen stukken terug, waaronder een wereldberoemde Etruskische vaas, de Euphronius krater.

Ook Nederland trok wereldwijde aandacht met 'besmette' kunst in de zaak Goudstikker. 202 schilderijen zullen de komende maanden worden overgedragen aan de nazaten van de joodse Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker.

De Nok-kop is niet het enige omstreden stuk in de collectie van het museum. De Koma-beeldjes staan ook ter discussie. Deze twintig centimeter hoge afbeeldingen, die in dezelfde vitrine als het Nok-hoofd liggen, zijn afkomstig uit het noorden van Ghana, waar ze begin jaren tachtig werden opgegraven. Inmiddels mogen de beeldjes niet zonder toestemming van de Ghanese regering worden opgegraven, verhandeld of geëxporteerd.

Directrice Eisenburger trof de beeldjes drie jaar geleden aan in het huis van een voormalig expeditielid. De man, die destijds betrokken was bij de opgraving in Ghana, was overleden; zijn vrouw ruimde zijn spullen op. Eisenburger: 'Ze nam me mee naar zolder waar ze op een aantal dozen met 'scherven' wees. Toen ik zo'n doos opentrok, zag ik tientallen Koma-beeldjes, sommige intact. Mijn eerste gedachte: ik mag hier niet eens naar kijken.'

Toch wilde ze de 'scherven' niet laten liggen - 'dan waren ze wellicht op de vuilnisbelt beland'. Dus nam ze de dozen mee naar het museum waarna ze haar vondst meldde bij de inspecteur cultureel bezit. Ook zocht ze via een medewerker van Unesco in Ghana contact met het nationaal museum daar. Maar de Unesco-medewerker oordeelde dat het te vroeg was om de beeldjes terug te geven. Eisenburger: 'Veel zaken waren nog onduidelijk'.

Het is een probleem waarmee veel westerse volkenkundige musea kampen. Want kan Afrika wel goed voor het eigen erfgoed zorgen? 'Het klinkt neo-koloniaal, maar pas als Afrikaanse musea de kunst van het bewaren beheersen én ze hebben er het geld voor, moeten we op internationaal niveau bespreken welke voorwerpen er terug gaan.'

De kunst van het bewaren is slechts een deel van het probleem. Want het gaat niet alleen om de juiste luchtvochtigheidsgraad in de zaal; het is de corruptie die de musea grote zorgen baart. Of, zoals het hoofd collecties Irene Hübner zegt: 'We geven het Nok-hoofd graag terug, maar niet als het in de tas van de Nigeriaanse ambassadeur verdwijnt.'

Goede, bilaterale afspraken met musea en overheden kunnen voorkomen dat voorwerpen 'verdwijnen', stelt Hübner. De Nederlandse overheid kan daaraan bijdragen. Maar juist die overheid is veel musea een doorn in het oog. Want het Unesco-verdrag uit 1970 over in- en uitvoer van kunstvoorwerpen, is niet geratificeerd, evenals het Unidroit-verdrag uit 1995, dat stelt dat alle illegaal verkregen kunst moet worden teruggeven - ook als de eigenaar niet weet dat het gestolen is.

Volkenkundige musea in Nederland hebben daarom een eigen ethische code opgesteld; van alle aankopen, schenkingen en bruiklenen moet de herkomst bekend zijn. 'Sommige buitenlandse musea vinden dat te veel moeite. Laat maar zitten, zeggen ze dan', aldus Hübner.

Voor de officiële opening, morgen, is ook de Nigeriaanse ambassade uitgenodigd. Directrice Eisenburger spreidt haar armen. Kom maar kijken, wil ze daarmee zeggen, we hebben niets te verbergen.

Het hoofd collecties, Hübner, lijkt daar iets anders over te denken. Want wat als de Nigeriaanse overheid het beeld terug eist? 'Dan zeg ik: ga eerst maar eens naar het British Museum. Daar liggen nog 150 Nok-hoofden!'

Rectificatie / Gerectificeerd

Anders dan gesuggereerd in het artikel Museum stelt zelf illegale kunst ter discussie (27 mei, pagina 9) maakt de aardewerk Nokkop van het Afrika Museum in Berg en Dal geen deel uit van de kunstvoorwerpen die in 1897 werden geroofd door Britse militairen, waarvan een deel te zien is in het British Museum in Londen. De Nokkop is legaal verkregen. Het citaat dat opeisers van gestolen kunst „eerst naar het British Museum [moeten] gaan’’ staat dan ook in een andere context: het Afrika Museum bepleit juist internationale afhandeling van teruggave.