Koninklijk

Enige tijd geleden schreef ik over het ideetje van Sharon Dijksma om ouders die, ondanks hun dure opleiding, thuis voor kinderen, echtgenoot, hond of kat zorgen, de kosten van hun scholing te laten terugbetalen. Deze suggestie berust op de gedachte dat een goede opleiding maatschappelijk alleen zin heeft als die in het economisch verkeer wordt benut.

Deze algemeen heersende opvatting heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de Colleges van Toezicht van de universiteiten vooral worden bevolkt door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Ondanks alle vrome praatjes over normen en waarden heeft in de wetenschap de koopman de dominee geheel verdrongen. Daardoor wordt de inrichting van het wetenschappelijk onderwijs bepaald door wat het economisch oplevert. Die beperkte economische denkwijze is ook bepalend voor de manier waarop de Lissabon-doelstellingen worden nagestreefd.

Volgens de in 2002 door regeringsleiders gemaakte afspraken, dient de beroepsbevolking hoger te worden opgeleid. Om die doelstelling te bereiken worden opleidingen gestroomlijnd. Geen getreuzel onderweg, zo snel mogelijk en linea recta naar de beoogde beroepskwalificatie. Ook als scholing uitsluitend wordt gezien als toegevoegde economische waarde, is deze weg heilloos.

Landen als Nederland moeten het voor het handhaven van hun internationale concurrentiepositie, hebben van innovatie. De ontwikkeling van een sterke positie op dit terrein vereist een heel andere opvatting over het nut van studeren. Het gaat er daarbij niet om dat zo veel mogelijk mensen een zo goed mogelijk gestroomlijnde opleiding doorlopen, ontdaan van alle franje, waarbij het inslaan van zijpaden, het exploreren van al dan niet verwante interessegebieden wordt tegengegaan. Innovatie vereist het vermogen verbanden te leggen tussen verschillende kennisgebieden en dat kan alleen maar in geval van een brede, goed ontwikkelde belangstelling. Willen we het innovatieve vermogen van de beroepsbevolking verhogen dan moeten we stimuleren dat mensen zich breed ontwikkelen.

De laatste jaren worden opleidingen als mavo en havo steeds vaker getypeerd als improductieve opleidingen. Het algemene karakter ervan wordt beschouwd als tijdsverlies, tijd die beter besteed kan worden door al eerder te beginnen met beroepsgerichte vakken. De lijn vmbo, mbo, hbo wordt door deze bepleiters van de efficiency gekenschetst als de koninklijke weg. Algemene kennis wordt dus blijkbaar gezien als onkoninklijk. Niet alleen je reinste majesteitsschennis en getuigend van cultuurbarbarisme, het is ook in economisch opzicht improductief. Want niet alleen staat de koninklijkverklaring van de beroepskolom de doorstroming binnen het voortgezet onderwijs, die van mavo naar havo naar vwo in de weg, een bredere algemene ontwikkeling is van belang juist met het oog op innovatie.

Daarom dient de onderwijspolitiek niet langer gericht te zijn op het stroomlijnen, en daarmee het versmallen van de opleidingen tot het hoogst noodzakelijke, maar dienen leerlingen en studenten te worden gestimuleerd zich te verbreden. Geef studenten de tijd om langer te studeren, al dan niet verwante bijvakken te volgen, andere interessegebieden te verkennen. Franje moet niet worden weggeknipt, die franje is niet de kers op de taart, maar een noodzakelijk ingrediënt. Wie daar behoefte aan heeft moeten we vooral niet hinderen om zijwegen in te slaan, andere interesses uit te diepen. Tot geluk en tot voorspoed van de betrokkenen en van de hele maatschappij.

lgm.prick@worldonline.nl