Eindelijk door de erepoort

De middelbare school die ik lang geleden in Roermond bezocht, had twee toegangen. Een voor de docenten, een voor de leerlingen. Het was leerlingen verboden door de docentenpoort naar binnen te gaan. Maar die poort lag twee minuten dichter bij de leslokalen dan die van de leerlingen. Als ik de bus van half negen pakte, en niet die van acht uur, kon ik op tijd komen voor de lessen die om negen uur begonnen, maar alleen als ik erin slaagde de docentenpoort te nemen. Leraren maakten er meestal geen punt van als je achter hen aan naar binnen glipte door de langzaam dichtvallende zware deur, maar als een non je zag, werd je teruggestuurd. Ik keek dus altijd eerst even of er niet zo'n zwarte pre-moslima in de buurt was. Ik zal een jaar of veertien geweest zijn toen een non me eens terugstuurde met de woorden: 'Jij bent het nog niet waard om door deze poort binnen te komen.' Ik bitste haar toen terug: 'Ik word hier nog wel eens door een erepoort naar binnen gehaald.'

Een paar maanden geleden werd ik gebeld door een vriendelijke mevrouw die in Limburg een project ontwikkeld heeft, 'Schrijvers terug naar school'. De bedoeling ervan is dat literaire schrijvers een les geven in de school waar ze vroeger zelf op gezeten hebben. Voor het gemak beschouwden de organisatoren mij ook maar als schrijver, want het Ursula Lyceum had speciaal naar mij gevraagd. Ik aarzelde geen seconde: eindelijk gerechtigheid. De non die me indertijd beledigd heeft, leeft waarschijnlijk allang niet meer. Misschien is ze in de jaren tachtig wel uitgetreden en slijt ze nu weg in een bejaardencommune in Almere. Maar in elk geval heeft ze niets meer met het huidige Ursula Lyceum te maken. Toch juichte ik: eindelijk door de erepoort naar binnen.

Het oude Lyceum in de binnenstad is gesloopt. Het was een enorm carré van roomse macht over het meisjesonderwijs. De zusters Ursulinen voerden het bewind over een internaat, een lagere school, een kleuterschool, en de middelbare school. Voor zichzelf hadden ze een klooster en een grote kapel. De roodstenen gebouwen, in die typische neoromaanse katholieke architectuur van de late negentiende eeuw, lagen in een blok rondom een enorme binnentuin met speelplaatsen, een zandbak, tennisbanen, een sportveld, waslijnen, en een bloementuin met bijenkorven. Iemand zei me dat de kapel behouden is, maar verder is de boel afgebroken en waarschijnlijk voor veel geld verkocht aan projectontwikkelaars.

Ik moest dus naar de nieuwe vestiging, buiten Roermond, in een bosrijke omgeving. Mijn ervaring met middelbare scholen is tamelijk beperkt. Het laatste decennium heb ik alleen maar middelbare scholen in Amsterdam bezocht. Eerst ging ik op zoek naar een goede school voor mijn dochter, daarna kwam ik er voor de zogenaamde tienminutengesprekken, en twee jaar geleden was ik er voor de diploma-uitreiking. Nu kom ik er alleen nog als er verkiezingen zijn, want de stemlokalen zijn in een middelbare school. De leerlingen zijn luidruchtig, ze roken, ze hangen, tassen en jassen liggen overal. De klassen zijn er klein, de toiletten bekrast, sportvelden ver weg, gymzalen zijn stiefkinderen, de computers oud, en er zijn altijd te weinig kapstokken. Het is er altijd nog iets beter dan aan de universiteit, waar de lokalen immens groot of piepklein zijn, de stoelen uit hun voegen hangen, waar geen kapstokken zijn en geen sportvelden. Hoe dan ook, de scholen die ik ken, sluiten naadloos aan bij de opvatting dat onderwijs als een sluitpost behandeld kan worden.

Maar nu dan het Ursula Lyceum. Het is niet zozeer weelde of luxe die me imponeerde, maar de ruimtelijkheid en de visie op het onderwijs die het gebouw uitstraalt. De entree is zo open mogelijk. Het was mooi weer, en de vele glazen deuren van de brede entreehal stonden open. Docenten en leerlingen liepen naar binnen door dezelfde ingang, die in geen enkel opzicht een beslotenheid suggereert. Je kijkt door het gebouw heen naar de velden en bossen erachter. De hal is meteen een ontmoetingsplaats: tientallen leerlingen stonden of zaten er, met de obligate flesjes water en eastpackrugzakken. In plaats van een staande non met arendsogen was er een vriendelijk persoon, zittend achter een balie. Er is geen verbodencultuur. Nergens zag ik bordjes met 'alleen tussen 1-2 geopend', 'docenten w.c.', 'na gebruik afsluiten' of wat er ook maar aan benepen opschriften in een school kunnen hangen. Nergens surveillerende leraren.

De leraar Nederlands haalde me op. We liepen door het gebouw. Overal royale lokalen, computerruimtes, brede gangen, extra vaklokalen, extra vergaderruimtes. En overal was er zicht naar buiten. Als kippen te dicht op elkaar zitten, pikken ze agressief naar elkaar. Zou dat met leerlingen ook zo zijn? In Amsterdam kwam ik op de scholen van mijn dochter altijd kibbelende, elkaar omduwende groepjes tegen. Hier liepen ze alsof ze al rustig discussiërende studenten waren.

Het lokaal waar ik les zou geven was leeg toen ik aankwam. Er stond koffie klaar. 25 meisjes en wat jongens kwamen binnen. Ze smeten hun tas niet op de grond, ze klikten niet met hun mappen, ze luisterden gretig naar mijn verhaal. Dat begon ik natuurlijk met de non die me de docentenpoort uitgooide. Daarna vertelde ik over de boeken die we niet mochten lezen van de nonnen, en hoe we dan toch aan ons gerief kwamen doordat er een goede boekhandel was in Roermond, waar we de modernste literatuur konden kopen, die we dan niet op de literatuurlijst mochten zetten. De leerlingen glimlachten, maar herkenden er niets van. Ze leken wel een beetje vertederd door die overbezorgde leraren van vroeger. Daarna ging ik over op de negentiende eeuw. De leraar had me gevraagd om een brug te slaan tussen de Franse en Nederlandse literatuur uit die tijd. Ik legde uit hoe in die tijd het onderscheid tussen goede en slechte lectuur gemaakt werd, eigenlijk op dezelfde manier als ikzelf had meegemaakt, puur op morele gronden. Goede literatuur was literatuur die verheffend was, die normen en waarden propageerde. De Franse literatuur stond in Nederland bepaald in een kwade reuk. Zelfs Victor Hugo, nu gemonopoliseerd door Walt Disney, stond op de index.

Ik had me voorbereid op een lastig uurtje. Hoe houd ik die pubers bij de les, ze luisteren toch niet meer, ze willen toch alleen nog maar twee minuten instructie en dan op internet, ze vinden alles uit het verleden saai, ze weten van niks en ze willen van niks weten. De columns van Kees Beekman en Leo Prick had ik gecombineerd met de éénwoordcommentaren van mijn dochter op haar leraren.

Dat was dus helemaal verkeerd ingeschat. De scholieren luisterden alsof ze een iPod op hun oren hadden, ze waren geconcentreerd, en ze keken niet op van termen als romantiek en realisme of namen als Jacob van Lennep, Bosboom-Toussaint, Walter Scott en Stendhal. Toen ik wegging door de poort, had ik het gevoel dat niet ik, maar zij de erepoort verdiend hebben die ik mezelf vele jaren geleden heb toegewenst.