Een half uur zandlopen van de bewoonde wereld

Jonge theatermakers die op Terschelling werken moeten het hebben van de natuur. Hoe mooi een voorstelling wordt gevonden heeft net zo veel te maken met de schoonheid van de omgeving als met de kwaliteit van het stuk.

Jowi Schmitz

Het is half acht ’s avonds en het regent nog net niet. Gierend koud is het al wel. In een keet die door de wind heen en weer schommelt overleggen vijf danseressen of ze met blote armen en benen kunnen dansen. „Het ziet er zoveel mooier uit”, zegt de jongste danseres. „We vriezen dood”, zucht een ander.

„We doen het niet”, beslist choreograaf Jens van Daele (1972). Buiten valt versneld het duister in. De natuur wint het van de esthetiek. Het is te koud, dat is niet goed voor de spieren en die moeten nog minstens een week mee. De bezoekers die even later bijna van de dijk worden geblazen, merken niets van de voorafgaande beraadslagingen. Sailor’s Wife, over vijf vrouwen die wanhopig op de terugkeer van hun man wachten, valt ook met lange mouwen en bedekte benen perfect samen met de strak zwarte lucht en de onrustige zee. Ook het wankele bouwsel waar de danseressen op tollen en springen, doordringt de kijker van het onzekere bestaan van een schippersvrouw. In een theaterzaaltje was de voorstelling aardig geweest, nu de danseressen zich schrap zetten om niet de zee in te waaien, is hij indrukwekkend.

Jonge theatermakers die op Terschelling een locatievoorstelling maken, moeten het hebben van de natuur. Zelfs wie het Oerolgevoel nog nooit aan den lijve heeft ondervonden, kan het nalezen in de verslagen. Vond de recensent de voorstelling mooi, dan beschrijft hij uitgebreid de omgeving. Zoals de eerste zinnen in de recensie (NRC Handelsblad 2002) van Kester Freriks over de voorstelling Salted van Tryater. „De strakke zuidwestenwind voert zand aan over de Noordsvaarder, de vlakte aan de westkust van het Waddeneiland Terschelling. Het is net of er wolken over het strand jagen, of je over de wolken loopt. (…)”. En zo gaat het nog wat alinea’s verder.

Theatermakers zijn zich bewust van het belang van hun natuurlijke decor. Maanden van tevoren zwerven ze al over het eiland op zoek naar de ideale locatie. Op zoek naar de plek waar natuurkracht in het voordeel van het verhaal kan werken, zowel bij mooi als slecht weer. Razendsnel leren jonge regisseurs over de dominantie van de speelbaarheid. Een schuur valt nog te behandelen als een krakkemikkig theater, een bos of een weiland is al wat lastiger. Alleen de durfal gaat het strand op waar verstaanbaarheid en comfort vrijwel afwezig zijn.

Zo’n durfal is regisseur Karina Kroft (1974), die dit jaar haar derde Oerolvoorstelling maakt en daarmee al bijna Oerolveteraan is. Een jaar na haar afstuderen begon ze in een schuurtje, ze verhuisde vorig jaar naar het bos, en haar komende voorstelling Ifigineia speelt zich af in een enorme duinpan op het strand, een half uur zandlopen van de bewoonde wereld.

In Ifigineia is het windstil. Daarom wordt de koningsdochter geofferd, opdat een fikse bries zal opsteken en de vloot van de koning naar de Trojaanse oorlog kan afvaren. Een stuk over windstilte op een eiland is al opmerkelijk, maar het ensceneren op een strand waar het ongeveer één dag per jaar níet waait, getuigt van waanzin, of van lef.

Kroft: „De wereld van Ifigineia is zo groot als de zandkom waarin het verhaal zich afspeelt. De andere personages kunnen in- en uitlopen. Zij niet. In die zandkom heerst de luwte. Zegt haar vader dat het overal windstil is, dan gelooft Ifigineia dat fanatiek. Net zoals ze fanatiek gelooft dat ze met haar dood Griekenland zal redden. Haar geloof is belangrijker dan de realiteit.”

Kroft heeft met Ifigineia van Euripides alle elementen voor een Oerolhit in handen. Een klassiek stuk waarin de natuur zowel in het verhaal als op de locatie een actieve rol speelt. Een voorstelling met gevoelvolle en weemoedige muziek. Personages die het gevecht met de elementen aangaan. En een link naar de actualiteit. Want Kroft ziet Ifigineia als een zelfmoordterroriste avant la lettre: Een jongeling met het leven nog voor zich, die ten behoeve van een extreem geloof kiest voor een zekere dood.

Hoewel Kroft net als andere jonge theatermakers telkens naar het eiland blijft terugkeren, is ze niet dol op de natuur, integendeel. „Ik hou van het rode pluche van de schouwburg, waar je het publiek kan bespelen en alle gebeurtenissen perfect kan doseren. Op Oerol kan dat maar tot op zekere hoogte. Je moet je uiteindelijk altijd weer overgeven aan de natuur. Bovendien betekent Oerol weg uit mijn geliefde stad, weg van rosé met ijs, weg van de bioscoop en weg van goede koffie verkeerd. Wist je dat ze bijna overal op Terschelling van die machines hebben die in één keer zowel drab als melk uitscheiden?”

Voor Gienke Deuten (1976), die dit jaar haar vierde Oerolvoorstelling, Mobil maakt, voelt Terschelling juist als thuiskomen: „Ik word erg vrolijk van repeteren in de buitenlucht. Ik ben meer gefocust en ik zie liever wind en regen dan de hele dag helemaal géén daglicht. Bovendien kan ik op het eiland in gesprek met de locatie gaan, terwijl je in een zwarte doos alles zelf moet verzinnen. In de natuur hoeft niet zoveel. Vorig jaar hadden we in Amsterdam een heel concept bedacht, op locatie bleken slechts wat extra grasplaggen voldoende.”

Oerol is dus een uitstekende leerschool voor jonge makers. Het is een plek waar krachten heersen die groter zijn dan de mens. Als jonge maker, tot dan toe god in eigen theater, is het meebuigen of breken. Er is die enorme ruimte, die om een daad vraagt, en een slimme oplossing. Een bos dat in de weg staat, laat zich niet omhakken. Het werken in isolatie verschaft een verhoogde concentratie, zodat er originele oplossingen worden bedacht. „Een dag repeteren op Oerol staat wat resultaat betreft gelijk aan een week vasteland”, aldus Karina Kroft.

Tenslotte is er nog het Oerolpubliek, dat actief meewerkt aan het creëren van prachtige voorstellingen. De bezoekers houden met liefde een paraplu boven een instrument als het regent, of ze duwen een tentdoek omlaag als het waait. Ze leven ook intenser mee: ze hebben bij zonneschijn immers net als de spelers last van knutten oftewel minimuggen. En het is nu eenmaal gemakkelijker begrijpen dat een acteur bibberend uit zee opduikt – zoals bij W-Workers Circus van de Hongaarse groep Kretakör – als de ijzige wind de muts van je hoofd bijt.

Soms is het zelfs dankzij die ijzige wind of de smorende hitte dat een voorstelling gewaardeerd wordt. Dan raakt de kijker onder de indruk van de speler – ‘goh, die houdt het maar vol in die hitte’ – en de speler gaat door omdat de kijker niet wegloopt. ‘We kunnen het publiek niet laten zitten.’ Een wederzijdse gijzeling is het gevolg, met navenante opluchting en blijdschap als het voorbij is. Dat duidt wederom op de grote rol, soms zelfs de hoofdrol, van de natuur in al die locatievoorstellingen en festivalhits. In een regulier theater houdt het gros van die producties geen stand, maar dat zou ook een onredelijke eis zijn. Je haalt immers een pijler uit het werk van de theatermaker-op-locatie; alsof je Toneelgroep Amsterdam vraagt zonder het ingenieuze decor van Jan Versweyveld te spelen. Locatievoorstellingen bestaan bij de gratie van de natuur en ieder jaar is het hopen dat hij maker én kijker gunstig is gestemd.

Ifigineia, regie Karina Kroft Strand Paal 7, 17 t/m 19 juni en 21 t/m 24 juni (15 en 18 uur)

Mobil. Deuten & de Goeij, Schuur van Langerak. 17 t/m 20 juni en 22 t/m 24 juni (15 en 20 uur)