Een alternatieveling die eilander mocht worden

Joop Mulder begon vijfentwintig jaar geleden uit het niets een theaterfestival op Terschelling. Van straattheater en kleinkunst naar grote beeldende buitenspektakels. En het liefst met en voor de eilanders.

Joop Mulder, 29 mei 2002, 18.05 uur Joop kijkt altijd wat nors. Hij heeft een prachtig gezicht, introvert, net of hij altijd in de verte tuurt. Het echt mooie portret heb ik nog niet van hem gemaakt. Daar is nooit tijd voor, het moet altijd tussendoor. Foto Sake Elzinga Nederland.Terschelling (FR).29-05-2002. West Terschelling, de Noordvaarder. Festival directeur Joop Mulder in zijn terreinwagen op het groene strand. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Wilfred Takken

Hoewel zijn verweerde, harige strandjutterskop anders doet vermoeden, met de vouwen rond zijn rustige blauwe ogen, ontstaan tijdens urenlang naar de golven turen, of naar een buizerd in roofvlucht boven het wad, is Joop Mulder geen geboren ‘eilander’. Ooit was de 53-jarige Oerolbaas zelf zo’n feestjongere die naar Terschelling kwam om ’s avonds te drinken in de kroeg en overdag op het strand te liggen. „Ik kom uit Bolsward, mijn vader was daar burgemeester. ’s Zomers gingen we altijd naar Terschelling met vakantie. Ik zat op de HBS, mijn vader wilde dat ik wiskunde ging studeren, maar daar had ik geen zin in. In de jaren zeventig was Terschelling echt een jongereneiland, een feesteiland voor de ‘alternatievelingen’ die hier massaal kwamen kamperen. De vriendin van een vriend van mij was hier kleuterleidster. Via haar konden wij in 1973 aan het werk in een kroeg, De Stoep. Het was een droom om op het eiland te kunnen blijven; een permanente vakantie. ’s Zomers werkte ik op het eiland, ’s winters trok ik de wereld door. Twee jaar later was ik eigenaar van De Stoep. „Eindeloos kon ik met honden over het eiland zwerven, na de herrie in de kroeg de rust opzoeken. Ik zag de mooiste plekken, en daar wilde ik graag iets mee doen, de schoonheid laten zien aan andere mensen. Vaak gedacht: hier zou je iets moois kunnen neerzetten. In De Stoep had ik inmiddels allerlei culturele activiteiten ontwikkeld, vooral muziek en poëzie. Optredens van Jules Deelder enzo. Toen kwam het Festival of Fools naar Amsterdam, met moderne clowns zoals Django Edwards. Dat maakte een enorme indruk op me: laagdrempelig theater op straat of in een tent, voor een groot publiek. Die dingen vielen toen samen in mijn hoofd: ik moest een soort ‘festival of fools’ op Terschelling organiseren, met buitentheater. En buiten is hier al snel: in de natuur. Overal op het eiland. En daaraan ontleent het festival zijn naam: Oerol is dialect voor overal.

Mulder begon vijfentwintig jaar geleden uit het niets een theaterfestival, op een afgelegen plaats waar niet eens een theater wás, en moest daar aanvankelijk dus ook zelf geld in steken. „Anderen kochten een motor of een four wheel drive, ik begon een festival. Ik heb al het geld van de kroeg in Oerol gestopt. Totdat die zaak financieel was uitgeput en als een molensteen om mijn nek hing. Anderhalf jaar geleden heb ik hem verkocht. Nu kan ik weer wat vrijer ademen, ook dankzij de subsidies waarmee we verwend worden. Ik krijg inmiddels zelfs een bescheiden salaris van het festival.”

Zelf heeft Mulder altijd van theater gehouden, sinds hij de jonge Rutger Hauer zag spelen bij de Noorder Compagnie, en hij op school schermleraar speelde in Le Bourgeois gentilhomme van Molière. In de eerste edities van Oerol programmeerde hij vooral straattheater en kleinkunst, Brigitte Kaandorp, de Berini’s. Als snel werden de grote, theatrale buitenspektakels belangrijk, beeldend theater van bijvoorbeeld de Dogtroep. Mulder: „Aanvankelijk was Oerol vooral gericht op beeldend theater. Vroeger raakte ik al heel opgewonden als een troep steltlopers het dorp in kwam, kleurrijk en met trommetjes. Maar gaandeweg ben ik toch naar meer inhoudelijke verdieping gaan zoeken. Nu is er ook ruimte voor teksttheater, klassiekers zoals Peer Gynt van Tryater, en Trojaanse vrouwen van De Appel. Of zoals komende editie Ifigineia in Aulis, een Griekse tragedie die zich op een strand afspeelt en nu hier ook op een strand te zien is.

„Waar het om gaat is dat de groep een relatie aangaat met de bijzondere locatie, zodat plaats en voorstelling elkaar een meerwaarde geven. Je kijkt op een andere, scherpere manier naar de omgeving. Van locatietheater kwamen we al snel op landschaps-theater, een nog weidser concept. Waar we nu veel mee werken is community art: theater dat niet alleen iets doet met het landschap van Terschelling, maar ook met de bewoners. Daarvoor interviewen de theatermakers bijvoorbeeld bewoners, of ze duiken in de eilandgeschiedenis, en gebruiken dit in de voorstelling. Verder laat ik graag jonge, onbekende makers hier aan te werk. Ze kunnen hier iets maken wat ze elders nooit voor elkaar krijgen. Oerol is niet, als veel andere festivals, een doorgeefluik voor voorstellingen die elders ook te zien zijn. Ik zoek altijd naar unieke ervaringen.

Oerol is overal op Terschelling, het eiland is ervan doordrenkt die tien dagen dat het duurt. Als je door het bos wandelt, kun je opeens Oerol tegenkomen. Het eiland is het podium. En de bezoekers – aanvankelijk een man of 1.500, nu 50.000 – zijn zeer fanatiek. Het is niet zo dat ze voor de zee komen, en dan ook nog even een voorstellinkje meepakken. Nee, ze willen de hele tijd theater zien, alles is altijd uitverkocht. Als ik om zeven uur ’s ochtends een voorstelling programmeer, zit het ook vol. Ik heb een keer een dansvoorstelling meegemaakt van Galili Dance. Het stroomde van de regen, wat echt gevaarlijk is bij zo’n blessuregevoelige kunst als dansen. Maar de toeschouwers bleven zitten, dus de dansers vonden dat ze moesten doorgaan. En de bezoekers vonden dat ze moesten blijven zitten omdat de dansers doorgingen.”

Hoe is de relatie met de eilanders, de oorspronkelijke bewoners, die tien dagen lang een stroom van tienduizenden bezoekers van het vasteland krijgen te verwerken? „In het begin keken de eilanders wel vreemd aan tegen het ‘hippiefestival’ en de alternatievelingen die er op afkwamen. De wethouder vond dat die ‘vogels’ vooral in Amsterdam moesten blijven, en zeker niet op Terschelling moesten komen. Maar gaandeweg kregen ze toch door dat Oerol heel goed is voor het eiland. Nog afgezien van de directe economische gevolgen heeft het festival Terschelling ook op de kaart gezet, als eiland van natuur én cultuur. Oerol is tot de eilandtradities gaan behoren.” Eén dag voor het Oerolpubliek van de vaste wal aankomt, krijgen de eilanders altijd de mogelijkheid om eerst zelf kaartjes te kopen. Daaraan kun je volgens Mulder de populariteit van Oerol onder de eilanders aflezen. „Vorig jaar bleken de drieduizend bewoners samen twaalfduizend kaarten te hebben gekocht. Dat is enorm. Als het Holland Festival de Amsterdamse bevolking zo zou aanspreken, zou dat festival een miljoenenpubliek hebben.”

Na zevenentwintig jaar op Terschelling voelt Mulder zich een echte eilander: „In het verleden is er vaak aan mijn jasje getrokken om elders in de wereld festivalleider te worden. Maar ik ben zeer verknocht geraakt aan dit eiland. Vooral de nabijheid van de zee is me dierbaar. Je ziet dat ook bij de andere eilanders. Tachtig procent gaat met vakantie naar een ánder eiland. Laatst zijn wij bijvoorbeeld met vakantie naar Texel geweest. Wij wilden eigenlijk naar Disneyland Parijs, voor mijn achtjarige dochtertje Jesse. Maar zij wilde liever naar Texel. Ik ga zelf graag naar Bonaire, om te duiken. Ik heb twee dromen: ik wil graag een zusterfestival opzetten op Bonaire. En ik wil ooit een duikvoorstelling programmeren die zich volledig onder water afspeelt.”

Mulder mag zichzelf wel als eilander beschouwen, maar doen de oorspronkelijke bewoners dat eigenlijk ook? „Hoewel ik me op het eiland nooit onwelkom heb gevoeld, vonden ze me aanvankelijk vooral een alternatieveling, een buitenstaander. Maar laatst was ik met een Schotse toneelgroep in het bejaardenhuis hier. De acteurs wilden de bejaarden interviewen, om een toneelstuk over de eilandbewoners te maken. Een van de oudste bewoners zei: ‘Als je hier niet geboren bent, mag je jezelf nooit eilander noemen. Maar Joop Mulder heeft zoveel voor Terschelling betekend, dat hij toch een echte eilander is’.”