De menselijke natuur

De beroemde bioloog Ed Wilson hield afgelopen woensdag in Leiden de Tinbergenlezing, over wat hem - naast mieren - het meest bezighoudt: de fundamentele samenhang van alle wetenschappen. Die samenhang is van belang is voor het antwoord op de belangrijkste wetenschappelijke vraag: wie zijn wij eigenlijk?

Vijftig jaar geleden heb ik Niko Tinbergen eens ontmoet, als jonge medewerker aan de Universiteit van Harvard, waar hij een lezing gaf. Zijn ideeën over de analyse van het instinct hadden grote invloed op mij; ze hielpen me op weg in mijn eigen onderzoek aan feromonen bij mieren en de theorie van feromoonoverdracht, waar ik me met name eind jaren vijftig en begin jaren zestig mee bezighield.

Tinbergens ideeën bleven me ook beïnvloeden in de tijd dat ik de contouren van de nieuwe discipline van de sociobiologie uiteenzette en ik het menselijk instinct binnen die context ging verklaren. Tenslotte concludeerde ik in mijn boek Consilience: the unity of knowledge uit 1998 dat de evolutie van het menselijk instinct als gevolg van natuurlijke selectie de sleutel is tot de unificatie van kennis.

De meest bruikbare term om de eenheid van kennis mee aan te duiden is ongetwijfeld het Engelse woord consilience. Die term consilience betekent in het Nederlands zoveel als 'samenhang'. Het duidt op het in elkaar grijpen van causale verklaringen die uitstijgt boven de grenzen tussen verschillende disciplines, zoals bijvoorbeeld die tussen natuurkunde en scheikunde, scheikunde en biologie, of, controversiëler van aard, die tussen biologie en sociale wetenschappen. Het woord consilience werd in 1840 geïntroduceerd door William Whewell, de grondlegger van de moderne wetenschapsfilosofie. Het is beter bruikbaar dan de termen coherentie of verbondenheid (interconnectedness), omdat consilience als gevolg van het schaarse gebruik sinds 1840 zijn originele betekenis heeft behouden, terwijl die andere termen in iedere wetenschappelijke discipline eigen betekenissen hebben gekregen.

Plausibel

Dat idee van wetenschappelijke samenhang over de grenzen tussen de verschillende disciplines heen, is in hoge mate plausibel. Het is zelfs de levensader van de natuurwetenschappen. Het inzicht in de werking van de wereld dat eruit voortvloeit en de technologische gevolgen van dat inzicht vormen ook de basis voor de moderne beschaving.

Ik denk dat nu de tijd rijp is om serieuzer te kijken naar het belang van dit idee voor de sociale en geesteswetenschappen. Ik geef meteen toe dat geloof in de toepasbaarheid van die samenhang buiten het terrein van de natuurwetenschappen tot diep in de territoria van andere takken van kennis, nog geen echte wetenschap is, nog niet. Nu is die alomvattende consilience nog een metafysisch wereldbeeld, dat ook nog eens niet breed gedragen wordt. De bewijsvoering is fragmentarisch en in sommige gevallen nogal mager.

Maar volgens mij bestaat er ook een praktische noodzaak om meer nadruk te leggen op die eenheid van kennis. Neem een discussie over milieuvraagstukken. Soms zal die binnen een paar zinnen heen en weer schieten tussen biologie, economie, ethiek en bosbeheer - allemaal wetenschappen met eigen deskundigen, eigen jargon en eigen beoordelingscriteria.

Een van de grootste bronnen van verwarring in het menselijke denken, is het wijdverbreide geloof dat er een breuklijn bestaat tussen de natuurwetenschappen aan de ene kant en de geesteswetenschappen en humanistische sociale wetenschappen aan de andere kant, ofwel grofweg tussen de bètawetenschappelijke en literaire culturen zoals C. P. Snow die in zijn beroemde Rede Lecture uit 1959 uiteenzette. De oplossing voor dit probleem schuilt volgens mij in het besef dat deze grens geen breuklijn is. Het is geen permanente kentheoretische scheiding en al evenmin, zoals velen denken, een soort Chinese muur om de Hoge Cultuur tegen de barbaarse reductionisten van de natuurwetenschappen te beschermen. Wat we nu eindelijk beginnen te begrijpen, is dat die scheidslijn helemaal niet bestaat! Wat velen zien als een scherpe grens is in werkelijkheid een breed gebied van slecht begrepen materiële fenomenen die wachten op een gezamenlijke verkenning vanaf beide kanten.

In de afgelopen twintig jaar hebben aan de grenzen van dit gebied een aantal disciplines een dramatische groei doorgemaakt. Van biologische zijde zijn dit de cognitieve neurowetenschappen, gedragsgenetica, evolutionaire biologie en omgevingswetenschappen. Vanaf de kant van de sociale wetenschappen zijn het de cognitieve psychologie en biologische antropologie. Cognitieve psychologie en biologische antropologie vertonen een groeiende samenhang (consilience) met de biologie. In de oorzakelijke verklaringen vind je steeds meer kruisbestuiving met de biologische disciplines.

Waarom is deze verbinding tussen de grote takken van kennis zo belangrijk? Omdat deze samenhang zicht biedt op een meer objectieve en meer precieze karakterisering van de menselijke natuur - en nauwkeurigheid is nu eenmaal de sleutel die de mens in staat stelt zichzelf beter te begrijpen.

Intuïtief begrip van de menselijke natuur is de kern van de creatieve kunsten. Maar het vormt ook de fundering voor de sociale wetenschappen, en een lonkend mysterie voor de natuurwetenschappen. De menselijke natuur objectief te bevatten, haar wetenschappelijk diepgaand te bestuderen en in al haar vormen te begrijpen! Dat zou gelijk staan aan het dicht naderen - of misschien zelfs wel vinden - van de heilige graal van de wetenschap, en een vervulling van de dromen van de Verlichting.

Goed, om niet alleen maar uit de losse pols op deze kwestie in te gaan, wil ik hier nu een samenhangende, consilient definitie van de menselijke natuur presenteren. En dan geef ik natuurlijk ook voorbeelden.

Regels

De menselijke natuur is niet het genoom, dat enkel de voorschriften geeft. De menselijke natuur is niet gelijk aan de algemeen menselijke culturele verschijnselen zoals het taboe op incest en overgangsriten, die het product van de menselijke natuur zijn. De menselijke natuur is veeleer een verzameling van epigenetische regels: de erfelijke wetmatigheden in de mentale ontwikkeling. Deze epigenetische regels vormen de genetische aanleg die bepaalt hoe onze zintuigen de wereld ervaren, de symbolische coderingen die we gebruiken om de wereld voor te stellen, de keuzes die we onszelf bieden, en de reacties die we met de minste moeite geven en die ons de meeste voldoening schenken. Op fysiologisch niveau, en in een paar gevallen zelfs op het genetische niveau, begint bijvoorbeeld langzaam duidelijk te worden hoe die epigenetische regels de manier beïnvloeden waarop we kleuren zien en die kleuren in taal uitdrukken. Ze zorgen er ook voor dat we de esthetica van kunstzinnige ontwerpen kunnen evalueren aan de hand van elementaire abstracte vormen en de mate van complexiteit. Ze zorgen er ook voor dat we soms angsten en fobieën ontwikkelen voor de gevaren in onze omgeving (zoals slangen of hoogtes) en dat we met bepaalde gezichtsuitdrukkingen en vormen van lichaamstaal communiceren. En dat we ons aan kinderen binden en ons in de echt verbinden. Enzovoorts, enzovoorts. De meeste epigenetische regels die ons gedrag en onze gedachten beïnvloeden, zijn zonder twijfel erg oud: ze gaan miljoenen jaren in de evolutie van de zoogdieren terug. Andere, zoals de verschillende stadia van taalontwikkeling, zijn uniek voor de mens en waarschijnlijk slechts enkele honderdduizenden jaren oud.

Stel u, als een voorbeeld van een epigenetische regel, het instinct voor dat incest bestrijdt. De kern hiervan is het Westermarck-effect, genoemd naar Edward Westermarck, de Finse antropoloog die het een eeuw geleden ontdekte. Wanneer twee mensen gedurende de eerste 30 maanden van het leven van een van beiden in nauw huiselijk verband samenleven, worden beiden ongevoelig voor latere seksuele aantrekking en hechting. Het Westermarck-effect is in antropologische studies bijzonder goed gedocumenteerd, hoewel de genetische voorschriften en de neurobiologische mechanismen nog op nader onderzoek wachten. Wat de bewijzen die bij mensen gevonden zijn nog overtuigender maakt, is dat alle mensapen waarvan het seksuele gedrag nauwkeurig bestudeerd is hetzelfde Westermarck-effect vertonen. Het lijkt zodoende waarschijnlijk dat deze eigenschap al miljoenen jaren voor het ontstaan van de hedendaagse Homo sapiens in de menselijke afstammingslijn wijdverspreid was. Het adaptieve voordeel van het Westermarck-effect is uiteraard dat het de nadelige gevolgen van inteelt voorkomt.

Laten we eens een totaal ander voorbeeld bekijken: de neurologische basis van esthetische oordelen. Neurobiologisch onderzoek, met name metingen bij proefpersonen die abstracte ontwerpen gepresenteerd kregen, hebben aangetoond dat de hersenen het sterkst worden geactiveerd door patronen die ongeveer 20 procent aan onregelmatigheid bevatten. Dat is ongeveer de complexiteit van een eenvoudige doolhof, een tweemaal gedraaide logaritmische spiraal, of een asymmetrisch kruis.

Het kàn toeval zijn dat ongeveer dezelfde kenmerken zijn terug te vinden in een groot deel van de ontwerpen van friezen, sierhekwerken, colofons, logo's en vlaggen. We komen het ook tegen in oude Egyptische en Meso-Amerikaanse pictogrammen en de karakters van moderne Oost-Aziatische talen. Dit vormt allemaal geen hard bewijs en het idee moet nog uitgebreid getoetst worden, maar de universele aard en het veelvuldig voorkomen van het effect zijn wel uitermate suggestief.

Biofilie

Een totaal ander voorbeeld dat ik aan u wil voorleggen is het fenomeen van biofilie: de aangeboren band die mensen in andere organismen en dan met name in de natuurlijke omgeving zoeken - een concept waaraan ik zelf enige studie heb verricht. Onderzoeken hebben aangetoond dat mensen, wanneer hen volledig de vrijheid wordt gegeven om de omgeving van hun huizen of kantoren te kiezen, de voorkeur geven aan een omgeving die drie aspecten in zich verenigt. Mensen willen van een hoogte naar beneden kunnen kijken, ze hebben bij voorkeur een open, savanneachting terrein met verspreide bomen en bosjes, en ze willen in de buurt van water zijn, zoals een rivier of een meer. Dit geldt zelfs wanneer al deze elementen puur esthetisch en zonder daadwerkelijke functie zijn. Voor een dergelijk uitzicht zijn ze bereid enorme bedragen neer te tellen.

Daarnaast zoeken mensen naar de combinatie van een tweetal andere elementen: ze willen een schuilplaats om in te leven en uitzicht over een vruchtbaar terrein om voedsel in te verzamelen, met liefst in de verte her en der grote dieren en bomen met lage, bijna horizontale takken.

Kortom - als u mij nu toestaat om, na enige moed te hebben verzameld, een stap te zetten die u wellicht niet wenst te volgen - mensen willen in de omgeving leven waarin Homo sapiens in de loop van miljoenen jaren ontstond. Ze willen, verborgen in een bosje of tegen een rotswand, uitkijken over savannes en open bossen met acacia's en vergelijkbare dominante bomen uit het Afrikaanse landschap. En waarom ook niet? Is het zo'n vreemd idee? Alle mobiele diersoorten hebben een sterke, vaak zeer verfijnde, aangeboren voorkeur voor bepaalde habitattypen. Waarom zou dat bij de mens anders zijn?

Hoeveel weten we over de aangeboren basis van dergelijke esthetiek? Niet veel, en met name niet over de genetische en neurobiologische basis van de epigenetische regels. Niet omdat ze al zijn onderzocht en niet aanwezig bleken te zijn, niet omdat er moeilijk te overwinnen technische barrières zijn, maar gewoon omdat ze nooit zijn bestudeerd. Want onderzoekers van de bovengenoemde grensgebieddisciplines zijn pas kort geleden de juiste vragen gaan stellen.

Laat mij nog wat speculeren, ter illustratie van de verscheidenheid aan potentiële toepassingen. Het is mijn vaste overtuiging dat emotie in de kunst wordt overgedragen door wat onderzoekers van diergedrag releasers noemen: simpele stimuli die een complexe, grotendeels in de structuur van de hersenen vastliggende respons oproepen. Dit was trouwens precies de aanpak die Nico Tinbergen in het onderzoek naar diergedrag ontwikkelde. Het is een nieuwe, biologische manier om kunst te ontleden.

Met enig speurwerk zijn de ethologische elementen in verfijnde kunstwerken terug te vinden. In veel verschillende soorten schilderijen zien we bijvoorbeeld dat een veelvuldig gebruik van gebogen penseelstreken een relatieve kalmte weergeeft, terwijl hoekige streken een gevoel van spanning en heftigheid oproepen. Maakt onze respons op deze elementen onderdeel uit van overgeërfde epigenetische regels? Ik verwacht van wel. Kunstenaars maken er al eeuwenlang trouw gebruik van.

Mijn voornaamste punt is dat genetische evolutie en culturele evolutie nauw met elkaar verweven zijn, en we pas nu een glimp beginnen op te vangen van de ware aard van deze interactie. We weten dat de culturele evolutie in belangrijke mate door biologie is vormgegeven, en dat de biologische evolutie van het brein, met name die van de neocortex, in een sociale omgeving heeft plaatsgevonden. Het ontdekken van de principes en de details vormt de grote uitdaging voor de nieuwe grensoverschrijdende wetenschappen. Naar mijn mening is de co-evolutie van genen en cultuur het centrale probleem van de sociale wetenschappen en van een groot deel van de geesteswetenschappen, en is het een van de grote openstaande problemen binnen de natuurwetenschappen. Het oplossen ervan zal een van de belangrijkste ontwikkelingen voor de wetenschap van de 21ste eeuw zijn.

Tot slot, laat me aandacht geven aan critici die zeggen dat, los van de vraag of de denkwijze klopt, de uitvoering van zo'n consilience-programma onmogelijk is. Want, zeggen ze, de twee belangrijkste kloven die hiervoor overbrugd moeten worden - die tussen genen en brein, en die tussen brein en cultuur - zijn gewoonweg te breed en te complex. Daarnaast bestaan er in deze visie een aantal emergente eigenschappen die niet reduceerbaar zijn. Wellicht vertegenwoordigen ze, aldus de critici, zelfs onverenigbare soorten kennisleer.

Eerste stappen

Mijn antwoord op radicaal anti-reductionisme is dat, geheel in tegenstelling tot wat de critici beweren, de eerste stappen reeds zijn gezet. Door zich met de grensoverschrijdende disciplines in te laten, ontdekken biologen, sociale wetenschappers en onderzoekers uit de geesteswetenschappen een groeiend aantal epigenetische regels, zoals degene die ik hiervoor heb uiteengezet en waarover ik heb gespeculeerd. Ik heb er het volste vertrouwen in dat steeds meer van dergelijke regels en hun achterliggende biologische processen zullen worden ontdekt zodra wetenschappers in een expliciete zoektocht hun aandacht op dergelijke fenomenen richten.

Het is dezelfde kritiek als door de vitalisten werd gegeven toen de eerste enzymen en andere complexe samengestelde moleculen werden ontdekt. Hetzelfde werd over de fysieke basis van erfelijkheid gezegd, zelfs al bestonden er reeds in een vroeg stadium bewijzen die rechtstreeks naar het relatief eenvoudige DNA-molecuul als de drager van de genetische code wezen. Het meest recente voorbeeld is hoe twijfels over de toegankelijkheid van de fysische basis van de geest momenteel wegebben bij het succes van nieuwe, verfijnde beeldtechnieken. In de geschiedenis van de natuurwetenschappen zie je telkens dezelfde ontwikkeling. Door analytisch graafwerk wordt een ingang gevonden in een complex systeem. Eerst wordt er één paradigmatische reductie tot stand gebracht, daarna volgen er meer. De voorbeelden stapelen zich op terwijl het hele systeem wordt ontleed en de funderingen worden blootgelegd. Is het mysterie tenslotte op zijn minst gedeeltelijk opgelost, dan lijken de causale verklaringen bij terugblik voor de hand te liggen, of zelfs onontkoombaar.

Kortom: de grote takken van kennis lijken voorbestemd om elkaar op deze manier te ontmoeten, en wanneer dit gebeurt, zal het een historisch moment zijn, dat slechts éénmaal plaats zal vinden.

Vertaling: Mark van Nieuwstadt

    • Edward O. Wilson