Zebra’s aan de singel

Foto AFP Zebra Print Background gestreepte huid van een zebra Jupiterimages;AFP

Het is een van de bekendste gedichten uit de Nederlandse poëzie: ‘Bommen’ van Paul Rodenko. Het is een luchtalarmgedicht: het beschrijft de akelige stilte van een gealarmeerde stad, een straat in gespannen afwachting van de dingen die komen gaan. Wezenloze sfeer, angst, apathie: alsof alles vertraagd, van een afstand, uitvergroot wordt waargenomen. ‘De stad is stil. / De straten / hebben zich verbreed.’ En: ‘Een kat rolt stijf van het kozijn. / Het licht is als een blok verplaatst.’ Dan, in de slotregels, dient het onheil zich aan: ‘Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein.’

Vreemde sfeer, vreemde waarneming. Is het werkelijk zo gezien, of alleen in de verbeelding? Men wijst er dan op dat Rodenko zijn gedicht schreef in 1945, niet lang nadat hij zelf een bombardement had meegemaakt, op 3 maart, in Den Haag, op het Bezuidenhout. Het huis van de Rodenko’s ging toen in vlammen op. Beschrijft de dichter hier wat hij toen zag? Dat is de vraag. De verslagen van dat bombardement roepen niet het beeld op van een stille, verweesde stad, met een vrouw die passeert (‘de echo raapt gehaast / haar stappen op’) en een kat die van een kozijn rolt en een bom of drie, vier – integendeel. Het moet een helse toestand zijn geweest, dagenlang, met honderden doden en gewonden, branden overal, een volledige wijk verwoest.

‘Kangoeroes kijken door de venstergaten’, schreef Rodenko. Ook dat zal hij niet letterlijk zo gezien hebben. Rodenko’s biograaf Koen Hilberdink denkt dat de dichter zich liet beïnvloeden door verslagen van de bombardementen op Rotterdam, vijf jaar eerder. De oude dierentuin, op het punt te gaan verhuizen naar de nieuwe locatie Blijdorp, werd getroffen, ‘en een groot aantal dieren liep toen vrij door de stad.’ Ook hier moet de verbeelding sterker zijn geweest dan de werkelijkheid. Er kwamen wel enkele dieren op straat terecht, maar veel waren het er niet. Van kangoeroes is nergens sprake. Ook niet van tijgers, panters, leeuwen, jaguars en poema’s. Die had men uit voorzorg al gedood.

Dat wil niet zeggen dat er zich om de dierentuin geen bijzondere taferelen voordeden. ‘Als in een schilderij van een waanzinnig geworden schilder’, meldt J.M. Pattist in zijn boekje Honderd jaar Rotterdamse diergaarde (1957). Er zwommen zeeleeuwen in de Westersingel. ‘Zebra’s in hun mooie gestreepte huid zag men op de taluds van de singel [...] tot op het Oostplein hadden herten en apen het gebracht en op de Coolsingel sprong een ree van de éne puinhoop op de andere. Tonelen die boven alle begrip gingen.’ De loslopende dieren werden gevangen en moesten weer in hokken worden ondergebracht. Dat was aanleiding voor nieuwe tonelen die boven alle begrip gingen, want veel van hun hokken waren verwoest. De grote chimpansee Marco werd daarom maar gehuisvest in het leegstaande café van Karel van Duijn op de hoek Diergaardesingel / Zijdewindestraat. ‘Agan, de orang oetan, werd opgesloten in de telefooncel van dat koffiehuis en enkele capucijnerapen zagen zich de lege bierkelder toegewezen.’

Dichter Menno Wigman verdiepte zich in de herinneringen van Lutz Heck, tijdens WO II directeur van de Berlijnse dierentuin. Heck maakte daar meer dan één bombardement mee. De sfeer van Hecks verslag keert terug in zijn gedicht ‘Tiergarten’. Enkele elementen zijn aan Heck ontleend, maar voor het grootste deel lijkt Wigman alles zelf met eigen ogen te hebben gezien, zoals Rodenko zijn kangoeroes zag. ‘Stof, roet, stormvuur’, zo begint Wigman. Het bombardement is begonnen. En dan meteen: ‘Het apenhuis in puin. Verbrande panters. Zebra’s zonder huid.’ Wat is een panter nog zonder zijn prachtige vacht, een zebra zonder zijn strepen? ‘Diep onder rokend gruis hemelt een olifant.’ Ik verbeeld me dat er een sterke tegenstelling zit tussen het lichte hemelen (ten hemel varen, sterven) en de zware olifant, nu ook nog onder gruis bedolven. Kan zo’n zwaar dier eigenlijk wel hemelen? Nog een beeld: ‘een hert hinkt weg’. We zien het wel voor ons, in al zijn smartelijkheid. En: ‘op het kerkdak hekst een condor rond.’ Ook dat zien we voor ons: een ontsnapte condor, een doodaanzegger zoals alle gieren, fladdert als een heks rond op een nabijgelegen hoog gebouw, vermoedelijk niet toevallig een kerk.

Het sluit allemaal goed op elkaar aan, ook in de klank. Zie de klinker- en stafrijmen overal, in ‘huis’, ‘puin’, ‘huid’, ‘gruis’ en in ‘hemelt’, ‘hert’, ‘hinkt’ en ‘hekst’. Op de heksenvleugels van de condor sluiten andere vleugels aan. ‘De vleugels met het luik, ze zijn weer thuis / en laten doodgewone jongens uit.’ Dat lijkt me een verbeelding van de vijandelijke bommenwerpers, de vliegtuigen met een luik waaruit de bommen vallen. Ze hebben dood en verderf gezaaid in Berlijn, zijn teruggevlogen, nu weer thuis en ‘laten doodgewone jongens uit’. Het klinkt alsof het allemaal normaal is, maar dat is het natuurlijk niet: jonge jongens die ver van huis een lading bommen moeten bezorgen.

In Berlijn, in en om de dierentuin, heerst intussen verwarring, twijfel, vermenging van sferen: ‘Verdoofd aarzelt een aap / zijn ogen bij elkaar, een jakhals sluipt / een bioscoop voorbij, de hitte blijft.’ Zoals altijd heeft waanzin ook hier iets absurds. Bij die sluipende jakhals dringt zich het beeld op van een ondeugend jong dier dat nu zijn kans schoon ziet om stiekempjes bij de bioscoop rond te gaan hangen; van zijn moeder mag hij nog helemaal niet naar de film.

‘Werd er gesproken, later, aan het graf, / niet bij de leeuwen die we moesten doden.’ Er vielen veel doden, zo lees ik hier, en er moest aan veel graven een laatste woord gesproken worden – en dan zwijgen we nog over al die roofdieren die, net als in Rotterdam, uit veiligheidsoverwegingen moesten worden afgemaakt. De meeste landleeuwen werden gedood in Berlijn, ‘maar door de grachten zwom / een zeeleeuw’, net als in Rotterdam. Hij was niet de enige die het overleefde: ‘en een condor hield een preek.’ De condor-gier die eerder al op het kerkdak was neergestreken, had gelegenheid genoeg tot preken – bij al die begrafenissen, neem ik aan. Het zou nog bijna hoopvol kunnen klinken, al die werkgelegenheid op het einde, maar de slotregel laat weinig ruimte voor illusies.

Met een gevoel van geborgenheid waren Heck en zijn oppassers de oorlog ingegaan. ‘Grauenvoll leuchteten die Fackeln des Krieges über ganz Europa, als wir mit unseren Tieren im Zoologischen Garten noch immer geborgen lebten wie in der Arche Noah.’

Met een gevoel van ontreddering kwamen ze er op 23 november 1943 weer uit. De slotregel van Wigman: ‘Het hele apenhuis bezweek.’ Het klinkt als: toen stortte onze hele wereld in. Einde van de dierentuin, einde van het paradijs.

    • Guus Middag