Voorwaarts en niet vergeten

De foto komt uit de film ‘Kuhle Wampe’ van Slatan Dudow (1932) 1900 - 1980 Schauspieler, D Busch (als Fritz, 2.v.l.) mit Hertha Thiele (als Anni, mit Krawatte) in dem Film `Kuhle Wampe' Buch: Bertolt Brecht, Ernst Ottwald, Slatan Dudow Regie: Slatan Dudow - Deutschland 1932 frau schlips ullstein - ullstein bild

Mei in Berlijn. De nazi’s zijn al 61 jaar weg en de kommies ook alweer 16 jaar, toch zwerven hun geesten nog door alle straten. Maar Berlijn is zoveel meer dan zijn verleden, dus neem ik me krachtig voor dit keer niet de hele tijd over de DDR en de Tweede Wereldoorlog te beginnen. Don’t mention the War en don’t mention das Ampelmännchen!

In de U-Bahn en de tram lees ik Chronicles van Bob Dylan, waardoor mijn gedachten de hele tijd in New York 1960 verkeren. Op reis vergeet ik altijd boeken mee te nemen die bij de stad of het land passen. Ben ik in New York, dan lees ik over een sombere calvinistische jeugd in de polder, ben ik hier, dan lees ik over de Nieuwe Wereld. Zo is mijn geest nooit bij het land zelf.

Gelukkig stuurt Dylan mijn gedachten terug naar Berlijn: hij schrijft dat hij met componeren is begonnen nadat hij Seeräuber Jenny van Kurt Weill en Bertolt Brecht had gehoord. Dat lied is uit de Dreigrosschenoper, Berlijn 1928. Ik heb Seeräuber Jenny altijd gehoord als de wraakfantasie van het vernederde kamermeisje Jenny, dat ervan droomt ooit wraak te nemen op alle hotelgasten. Haar ontsnappingsdroom zal altijd een kinderlijke fantasie blijven, de piraten zullen haar nooit komen redden. Maar Dylan ziet het zwarter: hij ziet in het lied de aankondiging van een massamoord door een rancuneuze, meedogenloze vrouw. Jenny verlangt naar een Stalin of een Hitler, en binnen een paar jaar krijgt ze die allebei: „Wanneer ze vragen wie er sterven moet/ En dan zal ik zeggen: allemaal!/ En wanneer dan de kop rolt, zeg ik: hopla!/ En het schip met acht zeilen en vijftig kanonnen zal verdwijnen, met mij”. Nooit meer wat van Jenny gehoord.

Met de bevriende voordrachtschrijver Dan Richter, van het schrijverscollectief Chaussee der Enthusiasten, loop ik door Lichtenberg, de buurt waar hij opgroeide, nabij de Rummelburgerbocht, een prachtige baai in de rivier de Spree, De deprimerende Plattenbau-flats van begin jaren zeventig zijn aardig opgefleurd met heldere kleurvlakken. De buurt is ook stevig in het groen gezet. Een voormalige DDR-gevangenis wordt verbouwd tot kunstenaarsappartementen.

Binnen een paar zinnen hebben we het toch weer over de oorlog. „Ik las dat jullie eindelijk niet meer zo bezig zijn met de Tweede Wereldoorlog”, zeg ik, „dat er voor het eerst bijna geen herdenkingsartikelen in de kranten staan, deze april en mei.” Richter beaamt het: „Nee, àls we het al over het verleden hebben, dan gaat het over de DDR. Dat is voor ons nu net zo lang geleden als de oorlog voor onze ouders”. Het gesprek komt op al het vooroorlogs cultuurgoed dat besmet is geraakt omdat het met de nazi’s wordt geassocieerd, terwijl het niet per se fascistisch is. We noemen de massachoreografieën, het neoclassicisme, herdershonden, de Körperkultur, Wagner, smalle snorretjes, samenzang van marcherende jeugdverenigingen.

„En omgekeerd: neem nu het communistische Solidaritätslied van Brecht en Eisler”, zeg ik, „dat had met een lichte tekstwijziging toch ook een nazi-mars kunnen zijn?”

Richter stuift op: „Nu ga je te ver! Hoe kun je zoiets zeggen! Allereerst is Hanns Eisler mijn lievelingscomponist.” (Dit lijkt me een oneigenlijk argument, maar ik laat het passeren) „De nazi’s hadden alleen maar inferieure componisten in dienst, nooit van het kaliber van Eisler. Verder is het Soldaritätslied in mineur gezet, terwijl nazi-marsen altijd in majeur zijn. Eisler componeerde het voor een film uit 1932, Kuhle Wampe, en daarna is het lied vooral in concertzalen gezongen. Het heeft nooit gediend als strijdlied voor de straat. Het is trouwens ook veel te snel om er daadwerkelijk op te marcheren.”

Ter illustratie heft Richter het strijdlied aan, „Vorwärts und nie vergessen: die So-li-da-ri-tät!” en met zijn lange benen marcheert hij in razend tempo de straat over. Het lijkt sterk op John Cleese’s silly walk. Ik lach: „Met zo’n tempo was Hitler nog veel eerder in Moskou geweest. Maar hij was daar, vrees ik, niet erg serieus genomen.”

Met een afkerige blik op mijn Dylan-boek, verandert Richter van onderwerp: „En Bob Dylan is trouwens een slecht mens”. Ik kijk verbaasd en hij legt uit: „Bob Dylan heeft in Oost-Berlijn opgetreden, in 1987. Dat was een grote gebeurtenis, nog nooit had zo’n grote superster in de DDR gespeeld. Heel Oost-Berlijn liep uit. Voor de ingang stond een fan die zijn motorfiets aanbood voor een kaartje. Er waren maar 80.000 kaartjes, de ordedienst kon het niet aan, dus de hekken werden gewoon opengezet, net als bij Woodstock. Voor ons was dit een groot moment; de grote Amerikaanse protestzanger vereerde ons, gevangenen van een politiestaat, met een bezoek. Maar hij kwam op, en begon chagrijnig zijn hits af te raffelen. Hij zei he-le-maal niets tegen ons. Hij had toch even een kleine opmerking kunnen maken over deze bijzonder gebeurtenis. Honderdduizend DDR-burgers waren hiervoor hun huizen uitgekomen. En Bob Dylan zei niet eens hallo.”

De foto komt uit de film ‘Kuhle Wampe’ van Slatan Dudow (1932)