Stilte, dat is de sleur en de dood

Marijke Spies: Tegen de stilte. Querido, 154 blz. € 14,95

‘Ze hadden het nooit echt ergens over.’ Dat is de sippe constatering die een vrouw doet nadat haar man, chirurg en fervent amateurzeiler, is gestorven aan kanker. Zij heeft nu spijt van alles wat ongezegd is gebleven. De weduwe vervult een van de bijrollen in Tegen de stilte, de tweede roman van Marijke Spies (1934).

Net als in Een onschuldige familie (2004), een omvangrijke kroniek over drie generaties van één familie, koos Spies voor een meervoudig en veelkoppig perspectief. Behalve het chirurgenechtpaar komen er in de betrekkelijk korte roman heel wat figuren voorbij: een saxofonist, een violiste, een gitaarspelende zuipschuit, een muziekleraar annex componist, twee overbezorgde moeders en wat verpleeghuispersoneel.

Het verhaal is snel verteld. Joachim en Anna, uit respectievelijk Noord- Duitsland en Almere, hebben zich afzonderlijk in Amsterdam gevestigd om er een bestaan op te bouwen als uitvoerend musicus. Ze worden met elkaar in contact gebracht door componist Theo, die een stuk schrijft speciaal voor saxofoon en viool. Ze krijgen een verhouding, komen zijdelings, via de muziek, in contact met andere Amsterdammers, en na verloop van tijd raakt de verkering uit.

De bindende factor tussen al die mensen lijkt te zijn dat ze niet van stilte houden. Ze hebben de provincie ingeruild voor de grote stad, ze houden van muziek, dansen, uitgaan en actieve vakanties en niet van sleur, ouderdom, verval en stilstand. Stilte is meer dan geluidloosheid. Stilte is hier min of meer synoniem met de dood. Het draait in deze roman dus niet om gewone, maar om een meer existentiële stilte, die op niveau doorbroken dient te worden. Net als in Een onschuldige familie, waar het steeds ging om ‘goed’ en ‘fout’, in de Tweede Wereldoorlog vooral, worden de bokken van de schapen gescheiden. De ene doorbreking van de stilte is beter dan de andere, volgens een nogal cultureel correct aandoende waardenschaal.

De stad is beter dan de provincie waar volgens deze roman nooit iets gebeurt en waar stilstand troef is. Muziek is door zijn onstoffelijkheid beter dan televisie, met alleen maar platte beelden: ‘lolly’s voor de geest’. Klassieke muziek is beter en mooier dan hardrock, want dat is alleen maar teringherrie. Hoog en laag, hemel en hel zijn keurig gescheiden. Het zal geen toeval zijn dat de componist die bijna letterlijk zijn leven geeft voor zuivere muziek, en die zich bedient van titels als ‘De schepping’ en ‘Het heelal’ Theo heet, afgeleid van het Griekse woord voor god. De onbetrouwbare, drankzuchtige bassist van een hardrockband heet dan weer Moene, naar de duivelse Moenen uit Mariken van Nimwegen.

En net als in haar eerste roman, komt het onheil in het laatste, rijkelijk turbulente en onwaarschijnlijke hoofdstuk van Marokkaanse kant, al is het deze keer niet opzettelijk. In het Mediapark, bij de TROS, is assistent-regisseur Mohammed aan het werk. Hij is wat grof in de mond en kruidt zijn gedachten met veel ‘fuck’, ‘shit’ en ‘kut’. Hij let niet goed op tijdens de uitzending. ‘Wat hij niet merkt, is dat rechtsboven in de enorme recorder twee rode signaleringslampjes beginnen te branden.’ De studio brandt uit en hijzelf komt jammerlijk om in de vlammen.

Spies probeert, als ik het tenminste allemaal goed begrijp, een lans te breken voor de geestelijke opvlucht, voor muzikale hoogstandjes en voor verdieping van het leven in het algemeen. Maar het verhaal zelf, over Joachim en Anna die elkaar vinden en ook weer verliezen, wil maar niet van de grond komen. Het blijft steken in geëxalteerde cliché-zinnetjes over ‘hemelse muziek’, ‘het verlangen naar de absolute, volmaakte c’, over de ‘donkere tonen van de saxofoon, waarin de diepste afgrond van het aardse lijken mee te resoneren.’ En over de viool die ‘de doodstille zaal in fluistert.’ Het is duister wat ze voor elkaar voelen en waarom ze iets in elkaar zien.

Noch de veelgeroemde hemelse muziek, noch de veelbelovende musici worden door Spies tot leven gewekt. In die malaise delen ook de overige romanfiguren. Ze mogen wel iets te berde brengen, maar moeten het verder doen met weinig karakter en inwisselbare gestaltes. Hoeveel muzieknoten Spies ook in stelling brengt om haar schepsels een aura van hogere gevoeligheid te verlenen – het klankbord van deze lezer werd er niet door in trilling gebracht.

    • Janet Luis