Religie verban je niet

Een priester draagt de mis op in een botsautokraam op de Utrechtse kermis Foto Merlin Daleman Maliebaan Festival, Kermis. Kermis-mis bij de botsauto's Utrecht 11-07-04 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Ger Groot: Het krediet van het credo. Godsdienst, ongeloof, katholicisme. Sun, 264 blz. €17,50

‘Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien’. Woorden uit de nieuwtestamentische brief aan de Hebreeën die nauw aansluiten bij de definitie die de filosoof Ger Groot geeft. Volgens hem ‘bevestigt het geloof een fiducie die het via de uitwendige woorden en gebaren ten slotte, tegen de klippen op, inwendig herwint.’ Simpel gezegd: geloof is een sprong in het duister in de vaste overtuiging dat je opgevangen wordt.

Groot geeft in Het krediet van het credo, een bewerking van eerder gepubliceerde artikelen, blijk van een functionele kijk op religie. Geloof werkt, want het geeft mensen houvast. Rituelen, sacrale woorden en gebaren hebben zin door het effect dat ze hebben op de mensen die ze uitspreken. Hij is van mening dat religie daarom als feit aanvaard moet worden. ‘God is er, met andere woorden, omdat er godsdienst is.’

Veel moderne denkers, vooral in West-Europa, kunnen niet goed overweg met het geloof, noch met de manier waarop het geloof maatschappelijk gestalte krijgt. Als – al dan niet expliciete – atheïsten verkeren deze denkers in de greep van de rationaliteit van het verlichtingsdenken. Ze zien religie als laatste restant van een mythisch wereldbeeld dat op zijn einde loopt. Als iemand daar thuis of in kerk of moskee iets mee wil, prima, maar verder moet er niets van te merken zijn.

Groot, die nadrukkelijk aangeeft zelf geen gelovige te zijn (niet goed voor ‘mijn intellectuele reputatie’), beklemtoont dat dit rationalisme zijn beperkingen heeft. De rede kan weliswaar beredeneren hoe de werkelijkheid in elkaar zit, maar ze kan het bestaan van de werkelijkheid als zodanig niet verklaren. De rede gaat met de werkelijkheid aan de slag, maar is niet in staat het waarom van het bestaan van de werkelijkheid te beredeneren. Ze moet uiteindelijk vertwijfeld vaststellen dat er iets is dat aan de werkelijkheid ontsnapt. Het redelijk denken loopt vast op de inertie van de werkelijkheid, waarvan religie onderdeel is. Religie, het geloof met zijn riten en mythen, geeft betekenis aan het bestaande. Voor de gelovige is de wereld geen toevallige woestenij, maar een plaats waar de mens zich thuis kan voelen. Godsdienst geeft een praktisch antwoord op de wisselvalligheden van het bestaan. Groot wil uitingen van religie daarom ruimte geven en met respect behandelen.

Mensen hebben geen geloof maar ze zíjn geloof, zo onderkent Groot. Je kunt religie dan ook niet verbannen uit het publieke leven, zoals de profeten van de moderniteit willen. Hij maakt in dat verband een verhelderend onderscheid tussen ‘citoyen’ en ‘bourgeois’. De citoyen is de mens als staatsburger, de bourgeois is de mens als deelnemer aan het maatschappelijk verkeer.

Als de overheid zich als gezagsdrager presenteert, zal ze strikt neutraal moeten blijven. Het is niet voor niets dat gezagsdragers een ‘bovenpersoonlijk’ uniform dragen. Een rechter met een keppeltje kan niet, omdat er dan een ongewenste vermenging ontstaat tussen het publieke en het private. Maar in de loop der tijd is de overheid steeds meer verweven geraakt met de samenleving, in de zorg, in het onderwijs et cetera. Ze heeft dan niet alleen te maken met de burger als citoyen, maar ook met de burger als bourgeois, dus inclusief diens opvattingen en overtuigingen.

Groot bepleit op dat terrein terughoudendheid in het overheidsbeleid. Zo kan de overheid streven naar emancipatie, maar dat moet niet leiden tot een verbod op de hoofddoek die veel moslimvrouwen dragen. Een hoofddoekje onder een uniformpet kan niet, maar voor een hoofddoek achter het ambtelijk loket moet wel ruimte zijn.

Bijna elke bladzij van het boek daagt uit tot wedervragen. Zijn leeservaring met de Nieuwe Bijbelvertaling brengt Groot tot de conclusie dat de meedogenloze God van het begin steeds verder terugwijkt en plaats maakt voor een groeiende humaniteit. Hij noemt de bijbel de roman van de mensheid die langzaam vanuit de barbarij wordt geboren. Dan rijst de vraag hoe hij aankijkt tegen de verhalen van de Apocalyps, die haaks staan op dat vermeende proces van humanisering. Over de geloofsbeleving van katholieken en protestanten noteert hij interessante observaties – maar ze vragen om debat. Wat is bijvoorbeeld het effect van het feit dat de roomse kerk zich steeds tussen God en mens wringt? Eén ding maakt Groot met zijn boek heel duidelijk: God is nog lang niet dood.