Orkest van tegenstemmen

Publiekstrekker Tate Modern heeft spijt van zijn eerste inrichting. Tijd voor een rehang. Maar de collectie blijft achterlopen bij de concurrentie in New York en Parijs.

Tate Modern; voormalige centrale Foto Alex MacNaughton The first major rehang of the Tate Modern collection since it opened in 2000. The rehang is over four wings each wing revolves round a central display that focuses on a key period of innovation in twentieth century art history. G.V.s of Tate Modern Photo from: Alex MacNaughton 22C Highgate West Hill, London, N6 6NP 07774 839 660 alex.macnaughton@virgin.net Vat No. 722 764 5 MacNaughton, Alex

ussen de bomen, naast een steen, bedekt met bladeren, de glans van brons enigszins aangetast door aarde en urine, net niet gevonden door een vrouw die haar hond uitlaat. Sculptuur om in het bos te verliezen, noemde Hans Arp dit kleinood van rondingen, en meteen zie je het voor je, in het bos van Meudon, de voorstad van Parijs waar Arp zijn atelier had en wel eens een kunstwerk losliet. Wat als die vrouw of haar hond het wel vindt, mee naar huis neemt en koestert, alsof het een bijzondere steen is, een schelp, een kastanje? En wat als ze dat niet doet? Kastanje tussen de kastanjes, maar langzamer vergaand, langzamer ook dan de botten van Arp, die in 1966 werd begraven in Zwitserland.

Sculptuur om in het bos te verliezen ís niet verloren. Het beeldje ligt niet tussen de bomen, maar tussen de dingen, niet in de buurt van mos of gras, maar midden in de stad, daar waar het in kunsthistorische zin thuishoort, tussen het werk van andere surrealisten, al zullen scherpslijpers misschien weten dat Arp, in 1916 een van de oprichters van dada, zich begin jaren dertig al niet meer bij deze stroming thuis voelde. Het werkje wordt er gezien door meer mensen dan die er ooit voorbij kunnen lopen in het bos van Meudon. Sinds de opening in 2000 werd het Londense museum Tate Modern al door 24 miljoen mensen bezocht.

Deze nieuwe Tate – met de oude Tate Britain in Londen en dependances in Liverpool en St Ives een van de vier musea van de Tate Group – was van meet af aan een ongekend succes. Toeristen en stedelingen vonden de weg naar het museum voor internationale kunst vanaf 1900, dat is gevestigd in een oude elektriciteitscentrale op de zuidoever van de Theems. De speciaal voor de gigantische turbinehal gemaakte installaties, zoals de enorme spin van Louise Bourgeois en de overweldigend oranje zon van Olafur Eliasson, werden niet bekeken maar aanbeden. De tijdelijke exposities gewijd aan publiekslievelingen als Edward Hopper, Andy Warhol of Frida Kahlo trokken door hun omvang ook connaisseurs naar de overkant van de rivier, waar voordat het museum zich er vestigde bijna niemand iets te zoeken had. Nu trekken de drommen over de Millennium Bridge. Op het plein aan de Theems doen skaters capriolen; in het restaurant op de zevende verdieping wordt gedineerd; in de winkels zijn honderdduizenden ansichtkaarten verkocht. Moderne kunst is in Londen zo populair geworden als het al was in New York en Parijs.

Chaos

Maar het succes was niet volledig, geeft ook de directeur van alle Tates, Nicholas Serota, nu toe. De opstelling van de vaste collectie van de Tate – waarvoor Henry Tate, uitvinder van het suikerklontje, in de negentiende eeuw de grondslag legde – kreeg bij de opening in 2000 veel kritiek te verduren. De plaatsing van de verzameling was niet chronologisch maar thematisch en volgens velen vooral chaotisch. Vier klassieke genres, stilleven, naakt, landschap en historie, waren het voornaamste houvast voor een opstelling die in tijd en ruimte alle kanten opging. In Nederland was men toen door de tentoonstellingen van Rudi Fuchs, een van Sorota's inspirators, al vertrouwd met het naast elkaar tonen van werk van kunstenaars uit diverse tijdperken en stromingen. In Engeland klaagde men dat er wel vele kleine verbanden waren te leggen, maar het grote verband was zoek. Moderne kunst vertelde geen verhaal meer.

Nu, na zes jaar, vond de Tate het tijd voor een nieuwe opstelling. ,,We willen de kunstgeschiedenis weer binnen laten’’, zegt Serota. De geschiedenis en de ‘ismes’ zijn inderdaad teruggekeerd in het museum. Weer is de collectie in vieren geknipt, maar dit keer zijn het wel kunststromingen die de buit verdelen. Het kubisme, het surrealisme, het abstract-expressionisme en het minimalisme zijn de vier uitverkorenen die in ‘States of Flux’, ‘Poetry and Dream’, ‘Material Gestures’ en ‘Idea and Object’ op de voorgrond treden.

Bijna de helft van de ongeveer vierhonderd tentoongestelde kunstwerken was niet eerder in het nieuwe gebouw te zien, waaronder een knaller als Whaam! van Roy Lichtenstein en het sculptuurtje van Arp. Een vijfde zijn nieuwe aanwinsten, waaronder hedendaagse kunst van Anish Kapoor, maar ook ouder werk, zoals Eureka/Blindhotland van de Braziliaan Cildo Mereilles, een installatie uit 1970. Sommige bekende werken zijn opnieuw geïnstalleerd. Mark Rothko heeft een eigen ruimte met slechts één entree gekregen. Daar vormen de negen grote roestig rood bruin paars – ja wat voor kleuren zijn het nou eigenlijk – doeken het heilig hart van de abstract-expressionistische afdeling.

De Britse pers heeft op de rehang overwegend positief gereageerd. Het museum is van zijn dwalingen teruggekeerd. Studenten kunnen in de Tate Modern weer de ontwikkeling van het kubisme volgen. Dit weekeind hebben een aantal ismes zelfs hun eigen dag gekregen tijdens een lang weekeind van concerten en performances. Vandaag is het Futurist Friday en morgen, u raadt het al, Surrealist Saturday.

Toch is er minder veranderd dan op het eerste gezicht lijkt. Ook in de nieuwe opstelling draait het weer om de verschillen en gelijkenissen tussen verschillende soorten werken. In de oude opstelling hingen bijvoorbeeld de waterlelies van Monet naast een stenen cirkel van Richard Long. Impressionisme werd verbonden met land art. Nu hangt dezelfde Monet tegenover een drip painting van Jackson Pollock. Impressionisme is een voorloper van abstract-expressionisme. De eerste opstelling is nietszeggend; de tweede klassiek. Maar beide hebben tot gevolg dat de confrontatie tussen de werken meer aandacht trekt dan de werken zelf. Soms pakt dat goed uit, soms is het flauw, soms onverwacht. Tussen de schilderijen van Francis Bacon en de sculpturen van Louise Bourgeois is het liefde op het eerste gezicht. Maar Duchamps urinoir Fountain en Sarah Lucas’ The Old in and Out, een afgietsel van een wc in de kleur pisgeel, slaan elkaar dood.

Het is de vraag of het nog anders kan. Het museum heeft wel geëxperimenteerd met een aantal andere ordeningen. In 2001 was er bijvoorbeeld een opstelling van allerlei kunstwerken die uitsluitend gemeen hadden dat ze in het jaar 1951 gemaakt waren. In 2004 weren portretten van Rodins Balzac uit 1982 tot Bruce Naumans Good boy bad boy uit 1985 chronologisch achter elkaar gehangen. In het nieuwe handboek staan de kunstenaars en de stromingen nog willekeuriger door elkaar heen. Misschien hadden ze de werken op zaal ook in alfabetische volgorde kunnen hangen, of op kleur of formaat. Want daar is het toch nog steeds een rommeltje. Niet alleen van duivelskunstenaars als Picasso maar ook van consistente scheppers als Mondriaan hangt werk op verschillende afdelingen. Van Andy Warhol liggen zelfs drie werken uit één serie op twee verschillende verdiepingen. De beroemde Brillo Box figureert bij ‘Idea and object’ in het minimalisme terwijl Campbell’s Tomato Juice en Del Montes Peach Halves bij het kubisme blijken te horen. Het is een slimme ondermijning van het primaat van de ismes, die hier ook zo ruim worden genomen dat het eigenlijk geen ismes meer zijn maar thema’s. De marge krijgt net zo veel aandacht als de mainstream. In elke hoek zit wel een kunstwerk dat zich afzet tegen een ander. Er is een koor van tegenstemmen georkestreerd dat de melodie steeds onderbreekt.

Zwak hart

Saai is het dus niet in de Tate. Het grootste manco van Tate Modern is volgens sommigen dat het niet saai kán zijn. De kunst moet er wel op een onorthodoxe manier aan de man worden gebracht om dat voor een echt klassiek overzicht simpelweg de werken ontbreken. ,,De collectie is het hart van het museum’’, zegt Serota. Maar het is wel een zwak hart. Want Tate Modern heeft alles wat het zich wensen kan: een schitterend, opvallend gebouw, een fantastische pr, een uitstekende educatieve afdeling, en – mede door de gratis toegang – gigantisch publiek. Tate Modern trekt ook meer bezoekers dan het Museum of Modern Art in New York en het Centre Pompidou in Parijs, waarmee de Tate zich het liefst vergelijkt. Maar Tate heeft wel een mindere collectie.

Wie door de zalen loopt, ziet wel Pollocks, Dalí’s en Picabia’s, maar bijna nooit de werken die men al van plaatjes kent. Een schok van herkenning biedt Tate Modern zelden. Een schok van het nieuwe evenmin, omdat het wel gaat om werk van bekende kunstenaars. Het aura dat kunstwerken krijgen omdat ze zo vaak gereproduceerd worden, ontbreekt hier. Een collectie groeit, en die van de Tate is niet zo gegroeid als de geschiedenis achteraf gewild had. De leemtes allemaal opvullen is onmogelijk; daarvoor ontbreekt het geld. Nu al is een flink deel van de vaste opstelling geen bezit maar bruikleen, zoals de dozen van Warhol. In de pers klagen de directeuren over het feit dat het museum van de staat meer geld krijgt voor educatie dan voor aankopen. Ook voor de rehang moest een sponsor worden aangetrokken, het financiële bedrijf USB. Voor een nieuw gebouw verwacht de Tate ook makkelijker fondsen te vinden. De uitbreiding is bedoeld voor de huisvesting van de collectie fotografie en video. Dat moet in 2012 klaar zijn en wordt ontworpen door het Zwitserse duo Herzog en De Meuron, dat ook verantwoordelijk was voor de verbouwing van de elektriciteitscentrale tot Tate Modern.

Kreefttelefoon

Maar het succes van de Tate kan ook in de beleving van de collectie verandering brengen. Door de verkoop van reproducties en de grote aantallen bezoekers krijgen minder bekende of minder geslaagde werken vanzelf een hogere status. Zo kan de Tate zijn eigen meesterwerken creëren. Zo wordt Dalí’s kreefttelefoon misschien een bekender icoon dan zijn smeltende horloges.

De directeuren en conservatoren spreken tegen de pers opvallend vaak over veranderingen. Deze vaste opstelling is niet vast. Een aantal kleine zalen zal al over een half jaar opnieuw worden ingericht. En volgens Tate Modern-directeur Vicente Todoni zal al over drie jaar de hele opstelling weer plaatsmaken voor een andere. De nadruk op voortdurende verandering bevreemdt: het is alsof de makers zich al bij voorbaat voor hun keuzes verontschuldigen. Is er nu geen werk van Cézanne, Gilbert and George of Pierre Huyghe te zien; heus voor je het weet is dat wel het geval. De onzekerheid krijgt een modern filosofisch sausje van openheid en interactiviteit. Toch heeft hoofdconservator Frances Morris, als eerste verantwoordelijk voor de nieuwe opstelling, gelijk als ze in de catalogus schrijft: „Het lijkt niet langer mogelijk om rekenschap te geven van de diversiteit en de handigheid van artistieke vernieuwing door één alles omvattend historisch verhaal, of om kunst te zien als een continue en onverbiddelijke vooruitgang, van reactie en innovatie, op weg naar een gemeenschappelijk bepaald doel.” Maar het is ook een dooddoener. Moet een museum toch niet een poging wagen, in plaats van zich te verschuilen achter open- en vloeiendheid?

Toch is er voor sommige dingen geen plaats meer. De zaal met Rothko’s is een van de mooiste onderdelen van de collectie: de schilderijen behoren tot het beste bezit van de Tate. Het is in de nieuwe opstelling geschikt gemaakt voor de contemplatie waar mensen zich voor een Rothko graag aan overgeven. Andere kunst waarmee vergeleken kan of geconfronteerd moet worden is afwezig. Geen tegenstemmen, geen openheid. Hier is alleen Rothko, Rothko en nog eens Rothko. Maar als je er eens echt voor gaat zitten, wordt je toch gestoord. Wat is dat? Zit er iemand te snurken? Of scheten te laten? Het museum heeft ook in deze zaal toch een stoorzender toegelaten. De onaangename geluiden zijn een werk van Martin Creed, dat hier door een andere kunstenaar, Maurizio Cattelan, is binnengehaald als onderdeel van zijn Wrong Gallery. Cattelan kreeg van het museum een vrijbrief om in een heel kleine ruimte van het museum zijn eigen gang te gaan. Dit museum heeft dus zelfs een officiële stoorzender. De luis in de pels is in dienst.

Frances Morris vergelijkt de Wrong Gallery met een Trojaans Paard. Het werk van Martin Creed verdedigt ze door te zeggen dat Tate Modern geen kathedraal is. ,,Bij kunst hoort niet alleen het transcendentale. We moeten de boel ook een beetje opschudden.’’ Maar is het wel de taak van een museum om de bezoekers hun plezier in Rothko te ontnemen? Laat ze toch wegzinken in die onbenoembare kleuren.

Morris maakt in de catalogus wel een ander punt. Ze durft het museum met een gevangens te vergelijken. „Als instellingen hebben gevangenissen en musea verrassend veel gemeen. Binnen hun muren worden gevangenen en kunstwerken, verwijderd uit hun oorspronkelijke omgeving, hun privé-leven, bij elkaar gebracht, gereguleerd en gecontroleerd.” Het is voor een museumcurator een vreemde vergelijking om te maken, maar wel een die bevalt. De gevangenismetafoor is bevrijdend.

Misschien moet iemand Sculptuur om te verliezen in een bos stelen, en doen wat de titel voorstelt.

Tate Modern, Bankside, Londen. Zo- do 10-18 uur; vrij-za 10-22 uur; www.tate.org.uk

    • Bianca Stigter