O-Timor heeft gezagsprobleem

Buitenlandse troepen proberen in Oost-Timor orde en rust te herstellen. Maar ook als dat lukt blijven de problemen van het kleine land groot.

Het kleine en straatarme Oost-Timor, pas onafhankelijk sinds 2002, is het niet gelukt zelf de interne onrust en het geweld te bezweren. De regering in Dili heeft „een ernstig gezagsprobleem”, zoals de Australische premier John Howard constateerde in een radio-interview. En dat wreekt zich dezer dagen.

Op straat wordt geschoten en vallen doden, auto’s en gebouwen worden in brand gestoken, het leger is verscheurd, tienduizenden burgers zijn Dili ontvlucht en honderden buitenlanders verlaten het land.

De onrust begon in maart, toen 600 van de in totaal 1.400 militairen na een staking werden ontslagen, allen manschappen uit het westen die zich achtergesteld voelden en nu als een soort rebellenleger in opstand komen.

Gisteren schoten soldaten negen onbewapende politieagenten dood na de belegering van het politiebureau, omdat ze de agenten verdachten van hulp aan de opstandige militairen. Bij een ander vuurgevecht kwam een Zuid-Koreaanse omstander om het leven. En een woedende menigte stak een huis in brand, waarbij alle zes inwoners om het leven kwamen.

Uit verschillende hoeken van de wereld haasten zich nu buitenlandse troepen naar het jonge staatje, om de rust te herstellen. Australië stuurt 1.300 manschappen, waarvan de eerste honderden gisteren al aankwamen. Voormalige kolonisator Portugal stuurt 120 man militaire politie, en ook Maleisië en Nieuw-Zeeland sturen vredestroepen. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft Oost-Timor opgeroepen „alle noodzakelijke stappen” te zetten voor het beëindigen van het geweld. Maar Dili kan zelf weinig.

Vanmorgen waren de Oost-Timorese troepen teruggehaald naar hun kazernes. In de heuvels werd nog geschoten. Australische pantserwagens patrouilleerden in de straten van Dili, die nu uitzonderlijk rustig waren. Maar de chaos in Oost-Timor is niet zo makkelijk te bezweren, ook niet met buitenlandse hulp.

De Oost-Timorese samenleving heeft weinig sociale en culturele samenhang. Een nationaal verband of gevoel bestaat er nauwelijks. Loyaliteiten liggen eerder bij tribale groepen. Van oudsher zijn er veel bloedvetes, die vaak ver teruggaan. De afstand tussen de dorpen en de stedelijke elite, vaak van deels Portugese afkomst en met Portugese namen, is groot. En premier Mari Alkatiri, die tijdens de Indonesische bezetting in ballingschap verkeerde, heeft weinig steun onder de bevolking.

Tegen die achtergrond is het niet makkelijk het land te verenigen om de huidige moeilijkheden het hoofd te bieden. Dat nu het leger uiteen is gevallen, komt ook nauwelijks als een verrassing.

Indonesië annexeerde Oost-Timor in 1976, na het abrupte vertrek van kolonisator Portugal. Na een lange en bloedige strijd met afscheidingsbeweging Fretelin en haar gewapende arm (de Indonesische onderdrukking kostte 100.000 tot 200.000 Timorezen het leven) sprak in 1999 bij referendum 80 procent van de Oost-Timorezen zich uit voor onafhankelijkheid. Daarop trok Indonesië zich te midden van chaos en geweld terug.

En ook toen moesten Australische troepen de orde komen herstellen, aan het hoofd van een internationale vredesmacht. Onder een interimbestuur van de VN bereidde het land zich voor op de echte onafhankelijkheid, in 2002.

Critici van de VN-missie hebben indertijd al geklaagd dat het Oost-Timorese leger te snel is opgezet, waardoor het aan eenheid ontbrak. Ook de politiemacht is slecht ontwikkeld, slecht opgeleid en verdeeld. De bevolking gaat gebukt onder armoede en werkloosheid, en heeft nog weinig geprofiteerd van de olie- en gasinkomsten die beginnen binnen te komen. De nieuwe inkomstenbron zal volgens waarnemers eerder tot meer verdeeldheid kunnen leiden, dan tot een sterker Oost-Timor.