Noch licht, noch wit, noch lucht

Marie Darrieussecq Foto John Foley Foley, John

Marie Darrieussecq: White. Arbeiderspers. Vertaald door Mirjam de Veth. 180 blz. € 15,95

Marie Darrieussecq: Zoo, nouvelles. P.O.L. 251 blz. € 18,-

White, de onlangs in het Nederlands verschenen roman van Marie Darrieussecq, speelt zich af op een plek op aarde waar gemorste cola binnen een paar seconden verijst en stolt tot een hoopje bruine kristallen; waar je geen metaal moet aanraken zonder handschoenen; en waar je als verwarmingsdeskundige twintig minuten hebt om de ketel aan de praat te krijgen, voordat alle leidingen uit elkaar spatten.

Die plek is Antarctica. Een Europees team van glaciologen, technici, een arts en een chef radio, richt er in het jaar 2015 een basis in van prefab barakken en tenten, bij een zomertemperatuur van minus 40 graden. Het is een onmetelijke sneeuwvlakte, mist, niets is er vloeibaar. Zes maanden lang gaat de zon niet onder. ‘Het is zo koud dat je geen tabak en geen kerosine ruikt. Het ruikt nergens naar. [...] Hier: niets.’ Onderweg naar de basis zijn er de ijsbergen: ‘het openliggende ijs is ontstellend blauw, alsof er binnen in dat witte gevaarte de kleur blauw zit. Alsof zijn eigenlijke pigmenten daarvandaan komen en smelten. [...] Het indringende pulseren van dat licht, noch wit, noch zee, noch lucht.’

Antarctica is het belangrijkste personage in deze opmerkelijke roman: de sneeuw, het ijs, het licht, de kou en het effect daarvan op de menselijke psyche. Mensen zijn er ook in deze fysische roman, waar de zintuigen het zwaar te verduren krijgen. De mensen zijn bijna doorzichtig, vervluchtigen in de elementen, vallen weg tegen de achtergrond van het wit.

Dat de chef radio van de expeditie, Edmée Blanco, de verwarmingsspecialist Peter Tomson gaat ontmoeten is niet meer dan vermaak voor de geesten (in de vertaling nogal storend spoken genoemd) die hen op de pool omringen, ook al zijn ze zich daar niet van bewust. Darrieussecq laat de geesten in de wij-vorm schrijven, zij vertellen het verhaal van ijs en kou en van een opvlammende liefde tussen twee mensen. Het zijn de geesten van hun voorgangers, de ontdekkingsreizigers Cook, Weddell, Scott, Amundsen, Shackleton en Dumont d’Urville. ‘Volgens verschillende mythologieën horen we hier. Soms zijn we de doden, de doden die nog bewegen’. Ze maken pret met de nietsvermoedende mensen, want ‘de huismijt voedt zich met huidschilfers’, zoals ‘de geesten met psychologie’. ‘Ze ‘springen op de draden van hun gedachten’, ‘breien zich in hun sokken’, omringen hen, omarmen hen, vangen hun herinneringen, dansen in een tussenwereld, tot ze moe zijn geworden van alle emotie.

Intussen proberen de mensen zich staande te houden op dit continent ‘waar niets hen verwelkomt’. Edmée, communicatiedeskundige, geboren in Bordeaux, wonende in Douglastown, een Vinexwijk vlakbij Houston, Texas, ‘echtgenote van Samuel, administrateur bij de NASA’, verzorgt voor haar collega’s het holografische beeldcontact met de bewoonde wereld. Peter Tomson is de verwarmingsspecialist, ‘geboorteplaats onbekend maar IJslandse nationaliteit’. Beiden hebben het grote niets opgezocht om rust te vinden en te kunnen nadenken over traumatische ervaringen uit hun leven.

Van Tomson wordt gesuggereerd dat hij van Indiase afkomst is, zijn ouders is kwijtgeraakt, zijn zusje in een oorlog heeft verloren en opgegroeid is bij een gastgezin op IJsland. Zijn dromen spelen zich af op lavagesteente, kapotte roltrappen en nauwe doorgangen, waarbij zijn moeder een beitel in haar hand heeft en een meisje Clara naar hem roept. Edmée worstelt met beelden van haar Amerikaanse buurvrouw, die op een middag haar vier kleine kinderen doodde, precies op die ene middag dat Edmée niet op hen had kunnen passen. Rust zoeken ze in dat wit, concentratie om te kunnen nadenken, energie om hun leven weer op te pakken. Tevergeefs, want het niets geeft geen gelegenheid tot nadenken. In plaats daarvan belanden ze in een door de geesten geregisseerde liefdesgeschiedenis.

Behalve in De baby, een boek over haar zoontje, speelde Darrieussecq in al haar eerdere romans met de grens tussen werkelijkheid en het fantastische. Vaak bewonen geesten haar universum. De realiteit gaat net buiten zijn boekje, de grens van het gewone wordt overschreden, de lezer kapseist mee. Vandaar ook het opmerkelijke taalgebruik van de schrijfster. Ze vermijdt clichés. Haar vocabulaire ontleent het nodige aan de wetenschap, de fysica, de wiskunde of de biologie. ‘Het is een veelvormig geometrisch object, als je de bladeren openvouwt verwijden ze zich ruitvormig, de glimmende, vettige diepte opent zich driehoekig boven een cilinder met verschillende inwendige rondingen – als de open- en dichtklappende papieren peper- en zoutstelletjes waarmee de meisjes op school speelden [...]’. Ooit eerder zo’n beschrijving van de vagina gelezen?

Dat Darrieussecq ook kan excelleren op de korte baan, bewijst ze met de verhalenbundel Zoo. We lezen de geestige geschiedenis van de buurman van John Lennon, maar ook een verhaal over de troost die het klonen op termijn zou kunnen bieden. Een volgende gaat over simuleren in de liefde, een ander over een jongetje dat gevaarlijk met elektriciteit experimenteert, in weer een ander blijkt de vertelster zelf een geest te zijn. Gruwelijk maar op haar best is Darrieussecq in Isabel, een verhaal over een vrouw die na een ontvoering terugkeert in haar ouderlijk huis. Dood, verdwijning en metamorfose zijn thema’s die Darrieussecq uitbeent tot op het bot. Echt Frans, schreven Engelse critici, die er immer nog van uitgaan dat Franse literatuur per definitie moeilijk of onleesbaar is.

    • Margot Dijkgraaf