Niet alles aan het geloof is verloren

Henk van Gelre: Mijn herwaardering van waarden. Een geestelijke autobiografie met een antwoord aan Nietzsche. Aspekt, 454 blz. € 24,95.

Ooit had je in Nederland een katholieke wereld met eigen intellectuelen, schrijvers, dichters en kunstenaars. Daar is niets meer van over, ondanks een enkele bekering in letterenland. Met verbijsterende snelheid is die katholieke wereld in de jaren zestig van de vorige eeuw verdwenen. Niettemin kun je de geur ervan soms nog even opsnuiven, zoals in Mijn herwaardering van waarden, de ‘geestelijke autobiografie’ van Henk van Gelre, oud-journalist van De Gelderlander en auteur van boeken over onder anderen Berdjajew, Henry Miller en Nietzsche.

Ook Van Gelre heeft inmiddels afscheid genomen van het ware geloof, maar of hij er helemaal van los is gekomen, valt te betwijfelen. Daarvoor heeft hij zich er te lang mee geïdentificeerd, in het bijzonder met de zeer persoonlijke en compromisloze geloofsbeleving die tijdens het interbellum werd gepropageerd door de ‘katholieke jongeren’ van die dagen. De manier waarop hij schrijft over Pieter van der Meer de Walcheren, de gebroeders Bruning of Wouter Lutkie (van wiens tijdschrift Aristo hij na de oorlog een tijdje redacteur was) getuigt tenminste niet van grote distantie. Alsof het gisteren gebeurd was, kan hij zich opwinden over de Nijmeegse historici Brom en Rogier, die deze ‘jongeren’ onjuist zouden hebben afgeschilderd: lang niet iedereen was fascist geworden, met ‘integralisme’ had hun verzet tegen de kerkelijke gezapigheid niets te maken, en zo belangrijk was de Franse katholieke polemist Léon Bloy voor de meesten van hen helemaal niet geweest.

Hoewel er onlangs weer wat is vertaald van Bloy, een even heetgebakerde als briljante stilist, denk ik niet dat veel lezers nu nog van deze kwesties wakker zullen liggen. Dat is een beetje de tragiek van Van Gelre en van dit boek, waarin alles toch keurig wordt uiteengezet. Vooral de hoofdstukken over Van der Meer de Walcheren en over Bloy zijn leerzaam en boeiend. Alleen is de autobiografie er enigszins bij ingeschoten; slechts mondjesmaat krijgen we iets over Van Gelre zelf te horen. Terecht misschien, want Van Gelre (geboren in 1928) is geen generatiegenoot van de schrijvers die hij behandelt. Met hun felle en compromisloze religiositeit hielpen zij hem uit een ‘geloofscrisis’, maar hij las hen pas na 1945, toen de meesten hun oorspronkelijke élan al waren kwijtgeraakt.

Ook dat is een beetje tragisch en wie weet komt mede daar de ietwat wrokkige ondertoon vandaan die ik soms beluister. Alsof Van Gelre het zijn oude idolen kwalijk neemt dat zij hem zo’n fanatiek geloof hadden bezorgd, hoewel hij ook ergens alléén zichzelf daarvoor verantwoordelijk acht. De meest openlijke wrok blijft gereserveerd voor de ‘vernieuwers’ (de aanhalingstekens staan er ook bij Van Gelre) van de jaren zestig, wier discussies hij, in navolging van Bloy schromelijk overdrijvend, ‘met alles wat dit aan gewelddadige onderdrukking van andere opvattingen insloot’ een ‘dictatuur’ noemt.

Van Gelre’s nostalgie naar de verdwenen katholieke wereld met zijn ‘diepe zin’, ‘geborgenheid en steun’ en actieve ‘naastenliefde’ lijkt onmiskenbaar. Maar anders dan Bloy of diens bekeerling Van der Meer de Walcheren is het hem niet gelukt hun bijna ‘kinderlijke’ geloof vast te houden. Eerst kwam de bijbelkritiek van de protestantse theoloog Rudolf Bultmann, daarna volgden de mokerslagen van Nietzsche en was er geen ontkennen meer aan: de katholieke geloofswaarheden waren intellectueel onhoudbaar. Dat hiermee overigens niet alles van het christendom werd prijsgegeven, laat de conclusie van het boek zien.

Maar daaraan vooraf gaat, naast een uitputtende Auseinandersetzung met Nietzsche, het hoofdstuk over Henry Miller, het meest curieuze van allemaal. Want wat heeft een katholieke wroeter als Van Gelre nu bij een narcistische erotomaan als Miller te zoeken? Toen hij voor het eerst een seksscène uit Tropic of Capricorn las, reageerde hij nog ‘als door een adder gebeten’, maar een ander boek (Rimbaud or the time of the assassins) gaf hem een veel hogere dunk van de auteur. Hij schreef een artikel in de krant, stuurde dat naar Miller, Miller schreef terug, en weldra was er ook lijfelijk contact.

Wat hem in Miller aanstond, was diens ‘rücksichtslose eerlijkheid’, schrijft Van Gelre. Het blijkt besmettelijk te zijn, want zie: nog in hetzelfde hoofdstuk mag de lezer delen in een natte droom (’Plotseling bevinden we ons temidden van drie, vier naakte jonge meisjes, die ons overal betasten, strelen en kussen’), waarvan alleen de onpersoonlijke wij-vorm herinnert aan de preutsheid die de auteur overal elders aan de dag legt.

De liefde bekoelt pas als Van Gelre ontdekt dat Miller in zijn boeken het nodige heeft gefantaseerd. Hoe valt dat met die ‘rücksichtslose eerlijkheid’ te rijmen? Hetzelfde bezwaar is dan al ingebracht tegen Bloy, terwijl in het laatste hoofdstuk ook Nietzsche eraan moet geloven. Diens agressie, overdrijvingen, geldingsdrang en wat al niet meer hebben tot ‘waanideeën’ geleid, vindt Van Gelre, die alles met een ethische, zelden met een esthetische bril beziet. Van Nietzsche waardeert hij weliswaar het ‘ontmaskeren van schijnwaarheden’, maar een ‘reëel alternatief voor het christendom en zijn moraal’ heeft hij niet geboden. In de conclusie doet Van Gelre dat in zíjn plaats; niet voor niets luidt de titel (zowel van boek als conclusie) Mijn herwaardering van waarden.

Het resultaat blijkt een secularisering te zijn van de christelijke naastenliefde en van de ‘gouden regel’ die neerkomt op: ‘behandel iedereen zoals je zelf door anderen wilt worden behandeld’. In combinatie met gefoeter op marktdenken, hebzucht en egoïsme, en met pleidooien voor mensenrechten, ontwikkelingshulp en vooruitgang, klinkt het even obligaat als vroeger de preek op zondag. Van Gelre’s ‘herwaardering’ pakt zo gewoon uit dat zelfs de lust om het ermee eens te zijn je vergaat. Hoe is dat nu toch mogelijk bij iemand die zich zijn leven lang heeft ingelaten met schrijvers als Bloy, Miller en Nietzsche, schrijvers van wie je veel kunt zeggen, maar godzijdank niet dat ze ooit gewoon zijn?

    • Arnold Heumakers