Leve de heroïnejunk!

Na de afscheiding voelen de kunstenaars van Montenegro zich alleen. Ze schuilen onder een viaduct, met gedichten en muziek. „We leven in een culturele Sahara, in een trash-cultuur.”

Cultuurcentrum Karver in Podgorica. is gevestigd in een voormalig Ottomaans badhuis, waar nu een snelweg overheen loopt. foto Tijn Sadée Sadée, Tijn

Studente Masja is iedere avond in Karver, het cultureel centrum in de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica. Ook vanavond, bij de presentatie van het nieuwe werk van tien jonge dichters. Plechtig dragen ze in het bovenzaaltje voor uit eigen werk. Trots en gedragen. In die taal die zich zo goed leent voor poëzie: hard én zacht, zwoel en cynisch tegelijk. Masja, met een ravenzwarte pony voor haar ogen, luistert aandachtig. Zelf droomt ze ook van een toekomst als schrijfster.

Het land waarin Masja en de jonge dichters opgroeiden bestaat de facto niet meer. Per referendum spraken de Montenegrijnen zich afgelopen zondag uit voor onafhankelijkheid, en dus voor afscheiding van grote broer Servië.

„Maar veel zal er voor ons niet veranderen”, zegt schrijver Ognjen Spahic (23), de literaire spil in Podgorica. In Karver is hij die avond het middelpunt van de belangstelling. Meisjes als Masja klampen zich aan hem vast, ze vragen of hij hun manuscripten wil lezen.

„Onze schrijvers-scene is heel erg open”, zegt Spahic. „Montenegrijnse schrijvers onderhouden hun contacten met collega-schrijvers en uitgevers in andere hoofdsteden van de voormalige Joegoslavische deelrepublieken, in Ljubljana, Zagreb en Sarajevo. De Servische scene daarentegen heeft zich ingegraven, die leeft geïsoleerd – wat helaas in lijn is met de huidige politieke isolatie van Servië.”

Toen Spahic onlangs werd bekroond met een literaire prijs voor zijn boek Hansenova djeca werd de roman overal in voormalig Joegoslavië aangeprezen. „Alleen in de boekhandels in Belgrado werd ik geweerd. Serviërs háten het succes van een Montenegrijnse schrijver.”

Zeker nu de onafhankelijkheid van Montenegro bijna een feit is laat Spahic er geen traan méér om. „Ik schrijf in een grote taal die wordt gesproken en gelezen in heel ex-Joegoslavië, ofwel door zo’n 22 miljoen mensen. Dat de Serviërs mijn boeken boycotten is hún probleem. Het heeft te maken met arrogantie, met jaloezie, met de aversie tussen onze twee staten. Daarop is de unie Servië-Montenegro uiteindelijk ook stuk gelopen.”

De banja

Boekwinkel annex literair café Karver vormt sinds anderhalf jaar het kloppende culturele hart van Montenegro. Het is gevestigd in een oud Turks badhuis, de ‘banja’, onder een betonnen viaduct naast de beek de Ribnica midden in Podgorica. Hier verzamelen zich tot diep in de nacht de jonge dichters, schrijvers, muzikanten, schilders en actrices. Bardame op leeftijd Ana bekommert zich om de gasten als ware het haar kinderen. Ziggy Stardust van David Bowie wordt grijs gedraaid, en anders wel Bob Marley. Overal slingeren boeken en tijdschriften, van The Economist tot The New Yorker.

„We hebben het Karver genoemd naar Raymond Carver omdat hij in What we talk about when we talk about love gewone mensen met elkaar laat spreken, zoals je dat haast nergens leest. Eenvoudige, menselijke verhalen. Dat is wat Montenegro nodig heeft”, vertelt Karver-oprichtster Varja Djukic, gelauwerd actrice met de ogen van Charlotte Rampling. „Montenegro heeft een sterke traditie in poëzie, maar niet in proza. Korte verhalen zijn het begin van een nieuwe literatuur. De jonge schrijvers moeten beginnen met korte verhalen, daarna volgen de romans.”

Literatuur in Montenegro wordt nauwelijks door de staat gesteund. In zijn geheel – voor uitgeverijen, schrijvers, boeken, vertalingen en festivals – is er jaarlijks slechts 100.000 euro subsidie gereserveerd. „Terwijl literatuur cruciaal is voor een land dat zoekende is naar een nieuwe identiteit”, zegt Djukic.

Bij de start van Karver wist ze 45.000 euro bijeen te scharrelen, bij geldschieters als de Soros Foundation en het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. „Ik wilde een plek maken voor de nieuwe generatie Montenegrijnse kunstenaars”, zegt Djukic. „Zij konden de afgelopen jaren niet reizen. Geld om een visum aan te vragen hebben maar weinigen. Er zijn hier geen kwaliteitsboekwinkels, geen art house-bioscopen, slechts een paar theaters. Het land is te klein. Er zijn nog wel culturele instituten uit het voormalige Joegoslavië, ouderwetse socialistische cultuurhuizen waar vroeger de amateurkunst een plek had. Maar die functioneren niet meer. Er moest iets nieuws komen.”

Met Karver heeft Djukic nu een ontmoetingsplaats gecreëerd waar jonge kunstenaars kennis kunnen maken met nieuwe films en de wereldliteratuur. „Talent is hier genoeg. Maar we leefden in Podgorica afgesneden van de wereld. Dat heb ik willen doorbreken.”

Katarina Kazezic, hippe bril en strakke broek, glijdt met haar hand teder over de ruggen van het imposante aanbod vertaalde literatuur in boekhandel Karver en fluistert trots: „Truman Kapot, Pol Oster, Dzon Fante, F. Skot Ficdzerald”. De passie waarmee zij de boeken toont maakt dat je schrijver wil worden. In de ronde ruimte waar zich voorheen de haman bevond, staan de volledige werken van Markiz de Sad en boeken van Isak Babelj, Gustav Flober, Marsel Prust en onze eigen Sejs Notebom.

Als een volleerde Bridget Jones mailt Katarina de godganse dag met vriendinnen over wie het met wie doet – ze kent alle Podgoricaanse roddels, en ze maakt van haar emailverkeer veel werk: „Het is wellicht materiaal voor mijn debuut.” Naast haar baan in Karver studeert ze Servische taal- en letterkunde. „Maar nu ons land onafhankelijk wordt, wordt mijn faculteit omgedoopt in Montenegrijnse taal- en letterkunde.”

Buiten, onder het viaduct, zijn in de tuin voor de banja stoelen opgesteld. Gele bloemetjes in het gras, een zachte bries. Het murmelende geluid van de beek die zich een weg zoekt tussen de rotsen. Wie het geraas van het verkeer vergeet waant zich op een alpenweitje in een verscholen dal.

Aan een van de terrastafels zitten muzikant Ivan Marovic en Vjera Nikolic, zangeres en lerares aan het conservatorium. Ze nemen wat liedjes door, want vanavond treedt Nikolic met haar nieuw gevormde band voor het eerst op in Karver. Op het repertoire staan ook covers van Diana Krall, Noa & Metheny en Khadja Nin. „Dat kan eigenlijk alleen in Karver, nergens anders”, zegt zangeres Nikolic. „Zoals de meeste muzikanten in Montenegro hebben we er allemaal drie baantjes bij. Je werkt je de kop van de romp om te overleven. We leven in een culturele Sahara, in een trash-cultuur. Ons soort, meer experimentele muziek moet de moderne Montenegrijn niet. Ze kijken naar Spaanse soapseries en luisteren naar turbofolk, het kankergezwel in heel voormalig Joegoslavië. Het is de allerbeste manier om je hersens te doden.”

Haar vriend Marovic durft in de muziekclubs een jazzy liedje niet meer aan. „Het publiek kijkt je aan alsof je gek bent. Ze willen het herkenbare turbo-gestamp.” Voor hem is cultureel centrum Karver een oase. „Een plek waar je kunt relaxen en waar je je veilig voelt”, zegt Marovic. „Hier komen mensen bijeen die dingen willen veranderen. Maar we stuiten op een muur van onbegrip.”

Alles wordt anders

Rond middernacht, na afloop van het optreden van de dichters, schaart iedereen zich rond de bar. „Ljubo is er!” wordt hier en daar gefluisterd.

‘Ljubo’ is Ljubomir Djurkovic, geroemd dichter, toneelschrijver en regisseur, nu directeur van het Koninklijke Theater in Montenegro. Bij het uitbreken van de Joegoslavische oorlogen begin jaren negentig vluchtte hij naar Nederland waar hij asiel kreeg en vertaalwerk deed. Zo introduceerde hij werk van Cees Nooteboom en Remco Campert in de Montenegrijnse taal.

In café Karver komt elke actrice en beginnend schrijfster eerst op Djurkovic af, om hem te kussen op zijn bebaarde, uitgebeende gezicht. In de hoop op een compliment, al is het maar een loos compliment: Montenegrijnen spelen dat spel schaamteloos, maar met verve.

„Het verschil tussen Serviërs en Montenegrijnen is groter dan dat tussen Vlamingen en Nederlanders”, zegt Djurkovic. „De taal is verschillend. Servisch heeft veel meer Turkse en Ottomaanse invloeden ondergaan. Het Montenegrijns heeft een Italiaanse slag, het is mediterraner.”

In 1999 schreef Djurkovic het toneelstuk Afval, over een Montenegrijnse jeugd die zich gedesillusioneerd afkeerde van hun ouders die zich stortten in de Joegoslavische oorlogen. „Voor die jeugd die ik toen beschreef is er wezenlijk niet veel veranderd”, zegt Djurkovic. „We hebben de afgelopen jaren in het door Servië gecreëerde isolement geleefd. Maar daar breken we nu eindelijk uit: alles zal anders worden; we zullen ons eigen geluid weer vinden.”

Dat eigen geluid heeft schrijver Spahic inmiddels gevonden. „De krijgshaftige vaderfiguur is op z’n retour”, zegt Spahic. „De nieuwe Montenegrijnse romanheld is een heroïnejunk.”

In zijn nieuwe roman vertelt een vader aan zijn zoon de verhalen over de traditionele helden uit de Montenegrijnse bergen. „De verhalen die wij allemaal tot in den treure kennen”, zegt Spahic. „Mijn eigen grootvader bevocht ook als guerilla in 1918 de Serviërs.”

De zoon in Spahic’ nieuwe boek heeft net heroïne gespoten, zonder dat z’n vader er erg in heeft, en hangt aan de lippen van zijn vader. Hij ervaart pa’s riedel als een overweldigende trip, een hallucinatie. Spahic: „Op die manier drijf ik als schrijver de spot met de vastgeroeste romanfiguren in de Montenegrijnse literatuur, en introduceer ik het leven van jongeren in het moderne Montenegro.”

‘Ljubo’ Djurkovic kijkt de jonge schrijver met een vaderlijke blik aan. „Met jongens als Spahic is er duidelijk sprake van een periode van opbloei. Deze groep dichters en schrijvers puilt uit van het talent – het zijn giftige, jonge mensen. Dat is het enige goede dat de sloop van Joegoslavië heeft gebracht: daaruit is nu een generatie opgestaan die écht wil.”