‘In Duitsland leeft rivaliteit nauwelijks’

Voetbal is een uitlaatklep voor Nederlanders die op veel andere terreinen moeten opzien tegen Duitsland, meent Friso Wielenga, directeur van het Centrum voor Nederland-studies in Münster.

Friso Wielenga, directeur van het centrum voor Nederland-studies in Münster

Guus van Holland

Friso Wielenga gaat straks zeker af en toe kijken naar de wedstrijden van het WK voetbal. Samen met zijn zonen, zowel naar het Nederlands als het Duitse elftal. Als Nederland goed presteert zullen zij tegenover hun Duitse kennissen trots hun afkomst tonen. Maar wanneer Duitsland beter blijkt te spelen, zal de in Duitsland woonachtige familie Wielenga zonder schaamte haar voorkeur bijstellen.

Rivaliteit is gezond, weet prof. dr. Wielenga, directeur van het Centrum voor Nederland-studies aan de universiteit van Münster in Duitsland. Zowel tussen vader en zonen als het om voetbal gaat, als tussen de betrokken volken. Van extra spanning wanneer het tussen Duitsers en Nederlanders gaat, merkt hij niets in Duitsland. „De verhoudingen tussen Duitsers en Nederlanders zijn de laatste jaren genormaliseerd. Maar zodra een groot kampioenschap nadert, duikt in Nederland de spanning op die dateert van tijdens en na de bezettingstijd – en dan vooral wordt gecultiveerd door de media en de commercie.”

In Duitsland leeft de rivaliteit nauwelijks, meent de Nederlandse historicus Wielenga. Hij spreekt van een ‘gewone rivaliteit’ tussen twee buurlanden die ook concurrenten van elkaar zijn. „In Nederland daarentegen laait het elke keer weer op. U als journalist belt mij nu om over dit onderwerp vragen te stellen. Ook ben ik gevraagd om aanwezig te zijn bij de presentatie van een onderzoek door de universiteit van Groningen waarin is vastgesteld dat Nederland in 1974 terecht de finale verloor. Dan moet ik me weer in het oranje uitdossen, dan komen oude voetballers van toen en wordt weer een oud sentiment opgerakeld. Het is een terugkerend, zichzelf regelend systeem.”

Het Nederlandse gevoel jegens Duitsers laat zich volgens Wielenga gemakkelijk verklaren. „Niet zozeer de Duitse bezetting speelt nog een grote rol . De oorlog is allang verwerkt, daar hebben jonge Nederlanders nauwelijks weet van. Het is meer omdat Nederland een klein land is in verhouding tot Duitsland. Duitsland heeft mede daarom ook op veel fronten een overwicht op Nederland. Dat is ontmoedigend, het wekt afgunst. Als wij Nederlanders in het buitenland zijn, willen we niet aangezien worden voor Duitsers, wat vaak gebeurt. Wij willen niet dat Nederland wordt waargenomen als de zeventiende Duitse deelstaat.”

Voetbal biedt daarom volgens Wielenga een uitlaatklep om te laten zien dat Nederland groter kan zijn dan Duitsland. „Als Nederland met voetbal van Duitsland verliest, dan is het volgens Nederlanders altijd ten onrechte. Zoals na het WK van 1974 werd beweerd. Overigens viel in de berichtgeving in de Nederlandse media na de finale niets te bespeuren van traumatische ervaringen. Pas nadat Nederland tijdens het EK van 1988 Duitsland versloeg in de halve finale en vervolgens kampioen werd, werden de Duitse bezetting en de verloren finale van 1974 erbij gehaald als overwonnen trauma’s. Nederland was zowaar op eigen kracht kampioen geworden, zo was het gevoel.”

Nederlanders doen en zeggen dingen over Duitsers, meent Wielenga, waar ze zich in Duitsland over verbazen: wat is hier aan de hand? „Zo’n rare actie van Ronald Koeman tijdens het EK van 1988, die zijn broek laat zakken naar het Duitse publiek. Mart Smeets die na een wedstrijd met tv-camera’s bij de Duitse grens gaat staan om te kijken of er nog gevochten gaat worden tussen Duitsers en Nederlanders. Hoogst merkwaardig. En dan die spuugrel tussen Völler en Rijkaard op het WK van 1990, hoe die niet in Nederland door de media is opgestookt en door de commercie is gebruikt.”

Ze zijn niet verontrustend, concludeert hij, die doorgeslagen grapjes met Duitse helmen, pisbakken, snerende liedjes en media die er van alles bijhalen om de spanning op te voeren. „Om de twee jaar, voor een toernooi. In Duitsland proberen ze als reactie wel eens mee te doen met dit spel, zoals vier jaar geleden tijdens het WK toen Nederland niet mocht meespelen. Met een website als: Ihr seid nicht dabei. Zolang het daarbij maar blijft. Want je kunt je ook afvragen hoe tolerant en liberaal Nederlanders zijn. Duitsers zien die verwijzingen als een vorm van racisme. Ze kijken meewarig en onbegrijpend toe hoe hun kleine broer af en toe tekeergaat. Terwijl Duitsers hun buur uit het westen altijd respectvol als een progressieve modelstaat gezien hebben.”

Wat betreft het voetbal moge de verschillen in eigenschappen duidelijk zijn, aldus Wielenga. „Duitsland speelt nooit mooi, maar degelijk en vooral effectief. Zoals Duitsers dat ook op andere terreinen doen. Nederland voetbalt intelligent, is speels, speelt doorgaans het totaalvoetbal, maar lijdt aan een waanzinnige zelfoverschatting. Nederlagen tegen vooral Duitsers doen dan uiteraard extra pijn.”

Dit is het vierde deel in een serie over de rivaliteit tussen Nederlanders en Duitsers, naar aanleiding van het WK voetbal.