Ik mis mijn oude neus als een gestorven familielid

ZAGREB/ RIJEKA/ AMSTERDAM. Heinrich Heine schreef een gedicht Die Wanderratten, dat zo begint: ‘Es gibt zwei sorten Ratten:/ Die hungrigen und die satten./ Die satten bleiben vergnügt zu Haus,/ Die hungrigen aber wandern aus.’

Als een hongerige rat arriveerde ik in de hoofdstad van Kroatië. Het Festival van het Europese Korte Verhaal, wie heeft er ooit van gehoord? Ingewijden. Literatuur als vrijmetselarij.

Roman Simic, zelf schrijver van korte verhalen, redacteur bij een Kroatische uitgeverij, oprichter van het festival, sinds vier weken vader van een dochter, en charmant, ook dat, erg charmant, maar ongeschoren, haalde mij af van het vliegveld.

Hoe moet je goed leven? Die vraag hebben filosofen op allerlei manieren beantwoord. Mijn voorstel is: ga illusies te lijf als ware het ratten. Een beetje gif hier, een val daar, een stok doet wonderen. Tot het zich niet langer laat loochenen. De rat ben je zelf.

We reden door de buitenwijken van Zagreb langs flatgebouwen, restanten van het reëel bestaande socialisme. Het festival was al een paar dagen bezig. Ik was de laatste rat die arriveerde.

„Mijn vrouw”, zei Roman, „hield gisteravond toen ik thuiskwam onze dochter omhoog, en zei tegen haar, ‘wie is die vreemde meneer?’ Maar het festival is ook een beetje mijn kind.”

Niet alle schrijvers zijn even hongerig. Georges Simenon, niet de minste, ging er prat op tienduizend vrouwen in zijn leven te hebben bezeten. Als hij niet een paar keer getrouwd was geweest, beweerde hij, waren het er nog meer geweest.

In het hotel tegenover Zagreb Centraal Station rook het een beetje naar de DDR. Die weemoedige tijd van voor 1989 toen de Nederlandse bevolking de kruisraket nog vreesde.

Ik had tien minuten om mijn koffer uit te pakken in een kamer die niet veel groter was dan de koffer zelf. Een rat heeft alleen zijn eigen honger nodig.

De Israëlische schrijver Etgar Keret die alweer op het punt stond te vertrekken wilde mij graag ontmoeten. Ik had een voorwoord vervaardigd bij de Nederlandse vertaling van een verhalenbundel die Keret samen met een Palestijn (el-Youssef) had geschreven.

In de Kroatische lentezon op een terras in de binnenstad werd lam geserveerd, maar Keret was vegetariër. Zijn zus was na enkele ervaringen in het leger ultra-orthodox geworden, zijn broer had de hasjpartij van Israël opgericht, en de broer van zijn vrouw was een beroemde rocker die tijdens optredens zijn gitaar in gruzelementen sloeg. Voor agressie op en om het podium kan ik begrip opbrengen, maar ik zou het er zelf geen gebruik van maken. Het woord is agressief genoeg.

De trams van Zagreb beroofden mij van mijn middagslaap en na langdurig gewoel nam ik plaats in de bar van het hotel waar ik koffie bestelde.

Een heer in een iets te strak zwart pak vroeg of ik zijn koekje wilde. Hij wekte de indruk alsof de georganiseerde misdaad hem in leven hield.

Niets van dat alles, hij was vertegenwoordiger in bruidsjurken. Zijn ouders hadden een atelier waar die jurken werden gefabriceerd en hij reisde door Kroatië om ze aan de man te brengen. Maar er was hem iets naars overkomen.

„Wat dan?”, vroeg ik.

Honger is ambitie. Ze zeggen dat de liefde brandt, maar dat is onzin. De rat kent maar één brand: zijn honger.

De man zei tegen me: „Mijn vrouw, een Italiaanse, heeft me jarenlang gek gezeurd om een neusverkleining. Ik bleef zeggen dat er niets met haar neus aan de hand was, maar ze wilde me niet geloven. Haar neus maakte haar ongelukkig, op een gegeven moment ging ze het huis niet meer uit vanwege die neus.”

Men kan verliefd worden op een neus. Marieke brak haar neus in het zwembad, maar ze bleef er gewoon mee rondlopen en tegenwoordig zie je er nauwelijks meer iets van. Een van de gruwelijkste verhalen die ik ooit heb gehoord ging over een man zonder neus. „Weet je hoeveel een neusverkleining kost?”, vroeg de handelaar in bruidsjurken.

Ik had geen idee.

Het was een hoop. Gewone mensen moesten er lang voor sparen. Na een paar jaar gaf de handelaar de strijd op. Wie depressief wordt van zijn eigen lichaam, moet naar de chirurg.

Zijn vrouw reisde naar Italië, liet haar neus verkleinen en vervolgens gebeurde het ongeluk. Het resultaat viel haar tegen. Ze zei tegen haar man: „Ik heb heimwee naar mijn oude neus als naar een gestorven familielid.”

Niet dat ik ooit zelf heb overwogen me te laten opereren, maar dit fascineerde me.

De handelaar in bruidsjurken zei: „Na haar operatie is ze in de woonkamer op de bank gaan liggen. Ze wilde niet meer bij me in bed, maar scheiden ho maar.”

Op dit punt van het verhaal werd hij onderbroken door zijn telefoon. Terwijl hij steeds harder begon te praten, verschenen rode vlekken in zijn nek. „Ik moet naar een klant”, zei hij, en hij schudde mij de hand.

Een uitstekend begin. Een vrouw denkt dat het aan haar neus ligt, maar het blijkt een vergissing. De enige existentiële vraag: wat staat tussen mij en het geluk?

Het festival kende veel vrijwilligers. Elke schrijver had zijn eigen vrijwilliger. In een bus reisden wij naar de kust, het stadje Rijeka. De Italiaan Vitaliano Trevisan reisde om principiële redenen op zijn motor achter de bus aan. De mens was hem al snel te veel.

Excursies bestonden uit bustochten naar restaurants buiten de stad. Geen woord over de Balkanoorlog. Men moest er naar vragen.

Tijdens een lange en late lunch hoorde ik een man Engels praten met een onmiskenbaar Nederland accent. Ik stelde me aan hem voor. Paul heette hij en hij droeg een spijkerjackje. „Wat doe je hier, Paul?”, vroeg ik.

„Mijn vriendin is een Kroatische schrijfster”, zei hij, „en ik ben journalist. Ik ga een documentaire maken. Vroeger deed ik het boekenprogramma voor de VPRO-radio. Misschien heb je nog naar me geluisterd toen je op de middelbare school zat. Wij trokken zeshonderdduizend luisteraars in mijn tijd.”

Ik durfde niet te zeggen dat ik, toen ik op de middelbare school zat, niet naar boekenprogramma’s luisterde.

’s Avonds in bed las ik de verhalen door die ik de avond erop moest voorgedragen. Lang geleden geschreven, nooit meer herlezen. Ik kwam een brief tegen aan een serveerster in het Amsterdamse restaurant Panini die een jaar of vijftien geleden een belangrijke rol speelde in mijn fantasie. Het voorbehoud was er al. Verder ongeconsumeerde liefde.

Stendhal teerde een leven op de herinnering aan Métilde Dembowski uit Milaan. Het programma van Simenon mag minder poëtisch zijn, maar levert uiteindelijk misschien meer op.

Na Kroatië reisde ik naar Amsterdam waar ik in Panini met wat studenten van de TU Delft lasagna at, overblijfselen van mijn gastschrijverschap aldaar verleden jaar. Wij werken aan een boekje, Het Nieuwe Lijden. Na het Nieuwe Bouwen is het tijd voor het Nieuwe Lijden.

Jules Schoonman, student bouwkunde, 20 jaar of 21, zat naast mij. „Je zegt wel dat Reve een alineaschrijver was”, verklaarde hij, „maar wat ben je zelf nou helemaal?”

De bedrijfsleider van Panini was nog dezelfde als toen ik er kwam voor ene Mariëtte.

„Luister, Jules”, zei ik, „je beweert zelf dat je de helft overslaat, is dat een teken van kwaliteit?”

„Waarom moet je de nadruk leggen op de mindere kanten, ik wil bewonderen. Ik heb jou ook bewonderd, voor ik je leerde kennen.”

„Bewondering”, zei ik, „Jules, dat is voor bakvissen. Ben jij een bakvis?”

De zaag waarmee men de illusie te lijf gaat is het woord. Daarmee is het woord de laatste, de levensnoodzakelijk illusie.

    • Arnon Grunberg